Eisers exploiteerden een veehouderij en kregen boetes opgelegd wegens overschrijding van gebruiksnormen dierlijke meststoffen en fosfaat en het niet voldoen aan de mestverwerkingsplicht in het kader van de Verantwoorde groei melkveehouderij (VGM) over 2017. Na bezwaar en herziening bleef een boete van €64.624,- staan voor overschrijding van de gebruiksnormen.
De rechtbank oordeelde dat de cautie tijdig was gegeven en dat de veehouderij in 2017 niet de feitelijke beschikkingsmacht had over vier percelen die zij als landbouwgrond had opgegeven, omdat de juridische titels ontbraken en het exclusieve gebruik niet was aangetoond. Mestafzet en mestproductie op deze percelen konden daarom niet worden meegenomen in de boeteberekening.
Verder wees de rechtbank de eisers af die een correctie in hun voordeel wilden op mestvoorraden, omdat reeds een correctie was toegepast en een dubbele correctie niet is toegestaan. De matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn werd vastgesteld op 20%, waardoor de boete werd verlaagd naar €53.699,20.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerdere besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het bestreden besluit gegrond. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan eisers toegekend.