Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
primair) in de periode van 12 mei 2009 tot en met 11 januari 2010 als bestuurder
subsidiair) dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan het door (één van) voornoemde rechtspersonen plegen van bedrieglijke bankbreuk;
primair) in de periode van 11 december 2009 tot en met 31 december 2009 samen met een ander een bedrag van € 750.000,00 heeft witgewassen dan wel (
subsidiair)
primair)
- [bedrijf 1] B.V. bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2012 in staat van faillissement is verklaard, en/of
- [bedrijf 2] B.V. bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2012 in staat van faillissement is verklaard,
subsidiair)
primair)
subsidiair)
3.De voorvragen
€ 750.000,00 van misdrijf afkomstig is. Mocht de rechtbank daarover anders denken dan is de verdediging van mening dat geen sprake is van verhullen of verbergen van de aard, de herkomst en de bestemming van het geld, als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, sub a Sr. Uit de bankafschriften is juist precies te herleiden aan wie welke betalingen zijn verricht. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte enige vorm van betrokkenheid heeft gehad bij het voorhanden hebben of verwerven van het geld, als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, sub b Sr. Met betrekking tot laatstgenoemde onderdelen (de sub b-variant) heeft de verdediging subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging bepleit.
‘’(…) bestuurde [bedrijf 14] alleen formeel, alle beleid GD (…)‘’. [11]
€ 1.296.296,00. [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 9] SA komen verder overeen dat de koopprijs wordt betaald via een overdracht van de leningsovereenkomsten met de eerdergenoemde informal lenders, zoals genoemd in Bijlage 1, en dat elk pand(recht) over de genoemde aandelen wordt vrijgegeven zodra deze schikkingsovereenkomst van kracht wordt. [18]
€ 15.009.259,00 (€ 750.000,00 + € 1.296.296,00 + € 12.962.963,00) heeft verkocht aan [bedrijf 9] SA. Onderdeel van het verwijt is daarnaast dat verdachte de IP-rechten van [bedrijf 2] B.V. heeft verkocht aan [bedrijf 9] SA. De rechtbank is daarvan echter niet gebleken, nu in de akte van cessie van 3 juni 2009 staat dat [bedrijf 2] B.V. haar handelsmerken en auteursrechten (gezamenlijk de IP-rechten) toekent aan [bedrijf 17] U.A. en niet, zoals ten laste is gelegd, aan [bedrijf 9] SA.
enig goedaan de boedel is onttrokken.
[naam 6] , [bedrijf 18] en [verdachte] hebben daarom gezamenlijk bepaald dat er op
- De maandelijkse bedrijfsuitgaven van [bedrijf 17] bedragen € 1,5 miljoen
- De achterstallige schulden bedragen € 3 miljoen
- De aflossingen aan investeerders bedroegen € 3 miljoen tegen eind 2008 en € 26
- miljoen aan het einde van februari 2009
- De maandelijkse aflossing van rente op leningen bedragen ongeveer € 1,4 miljoen
- Inkomsten uit de verkoop van vastgoed waren minimaal terwijl er geen betalingen
€ 750.000,00. [35]
€ 750.000,00 gebruik heeft gemaakt, als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid, sub b Sr, door hiermee schulden bij ’t [bedrijf 23] B.V. en [bedrijf 22] Ltd af te lossen.
€ 2.500.000,00. [bedrijf 4] ontving van verdachte de betreffende koopovereenkomst. De koopprijs werd in een later stadium naar beneden bijgesteld, namelijk naar
In dit verband stelt de rechtbank voorop dat de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest van 20 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2889) heeft overwogen dat voor veroordeling wegens oplichting onder meer is vereist dat één of meer van de in artikel 326 Sr Pro specifiek aangeduide oplichtingsmiddelen gebezigd worden, te weten: het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels. Voor oplichting in de zin van artikel 326, eerste lid, Sr is daarenboven vereist dat de ander mede onder invloed van de
doorhet desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken
is bewogen totde afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld.
€ 3.000.000,00, waarvan € 2.300.000,00 afkomstig is van de verkoop van [landgoed] , – en verder ongeclausuleerd – haar hypothecaire zekerheden op de objecten vrijgeeft. Subsidiair wordt volgens de verdediging niet voldaan aan het causaliteitsvereiste. [bedrijf 4] was namelijk in een vroeg stadium op de hoogte van [bedrijf 10] als koper, maar heeft geen enkele navraag gedaan. [bedrijf 4] was niet geïnteresseerd in de identiteit van de koper, maar uitsluitend gefixeerd op het bedrag van € 2.300.000,00. Door op voorhand akkoord te gaan met deze opbrengst tegen royement van de hypotheek, kan niet worden geconcludeerd dat [bedrijf 4] is bewogen tot afgifte van enig goed; zij heeft dat eigener beweging gedaan.
waardoor[bedrijf 4] is
bewogen totroyement van het hypotheekrecht op [landgoed] .
- i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt,
- ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit,
- iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.
a) enig goed aan de boedel onttrokken heeft, hierin bestaande, dat hij
5.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon, een goed aan de boedel onttrekken;
medeplegen van witwassen.
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
8.De schade van benadeelde
9.De toegepaste wettelijke voorschriften
10.De beslissing
als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon, een goed aan de boedel onttrekken;
medeplegen van witwassen;
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) maanden;
6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende voorwaarde niet is nagekomen:
algemene voorwaardedat de verdachte: