Eiser vroeg bijzondere bijstand aan voor stofferingskosten van zijn woning, maar het college wees dit af omdat deze kosten niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en eiser de mogelijkheid had om te reserveren. Eiser voerde aan dat hij door eerdere blokkeringen van zijn bijstandsuitkering en gedwongen verhuizingen niet kon reserveren en dat er dringende redenen waren vanwege zijn onleefbare woonsituatie en psychische klachten.
De rechtbank oordeelde dat de stofferingskosten weliswaar noodzakelijk zijn, maar niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Eiser had vanaf 2019 weer een bijstandsuitkering en voldoende reserveringsmogelijkheden. De eerdere blokkeringen en lage inkomens in de periode 2015-2018 doen hieraan niet af. Ook de stelling dat de woning casco is opgeleverd en de situatie onleefbaar is, leidt niet tot een andere beoordeling.
Verder stelde de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er zeer dringende redenen zijn die bijzondere bijstand rechtvaardigen. De psychische klachten en onvolledige woning zijn niet voldoende onderbouwd als acute noodsituatie. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.