Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:749

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
25/2118
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling WOZ-waarde woning met vergelijkingsmethode en taxatie-inzichten

De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een twee-onder-een-kapwoning uit 1959 vast op €397.000 voor het kalenderjaar 2025. Eiser, eigenaar van de woning, betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van €318.000 voor, onderbouwd met een eigen taxatie.

De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. De waardering is gebaseerd op de vergelijkingsmethode waarbij drie vergelijkingsobjecten in dezelfde plaats zijn gebruikt, met correcties voor relevante verschillen. De rechtbank vond dat de heffingsambtenaar voldoende rekening hield met bouwkwaliteit, onderhoud en andere factoren.

Eiser stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met bouwkundige staat, maar stelde geen concrete feiten die deze conclusies ondersteunen, waardoor hij niet aan zijn stelplicht voldeed. De eigen taxatie van eiser was onvoldoende inzichtelijk, met name wat betreft de prijsopbouw en waardering van bijgebouwen en grond.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is, waardoor de vastgestelde WOZ-waarde blijft gehandhaafd. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak is gedaan zonder zitting, na overleg met partijen.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €397.000 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2118

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Heusden, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: F.E.M. van der Loop).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem vastgestelde WOZ [1] -waarde van de woning aan de [adres] in [woonplaats] (de woning) niet te hoog is.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning met de beschikking van 15 februari 2025 vastgesteld voor het kalenderjaar 2025 op € 397.000. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum waarbij ook de aanslag onroerendezaakbelastingen (OZB) is bekendgemaakt.
1.2.
Met de uitspraak op bezwaar van 21 juli 2025 heeft de heffingsambtenaar de vastgestelde waarde gehandhaafd.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Feiten

2. Eiser is eigenaar van de woning. Dit is een twee-onder-een-kapwoning met bouwjaar 1959. De woning bestaat uit een hoofdbouw van 72 m², een aanbouw van 16 m², een dakopbouw van 24 m² en een aangebouwde garage van 28 m². De grond bij de woning heeft een oppervlakte van 189 m².

Beoordeling door de rechtbank

3. In beroep is het aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar hierin geslaagd.
3.1.
De heffingsambtenaar verwijst ter onderbouwing van de vastgestelde waarde naar de getaxeerde waarde van (afgerond) € 397.000, zoals opgenomen in de door hem overgelegde waardematrix. Daarin is de vergelijkingsmethode toegepast. Dat betekent in dit geval dat de woning is vergeleken met drie andere woningen, te weten [adres] , [adres] en [adres] , alle in [woonplaats] . Deze woningen worden de vergelijkingsobjecten genoemd. In de waardematrix heeft de heffingsambtenaar de uit de transactiecijfers van de vergelijkingsobjecten afgeleide m²-prijzen gecorrigeerd voor de door hem benoemde waarderelevante verschillen.
3.2.
Eiser vindt dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de bouwkwaliteit en bouwkundige staat van de woning en de staat van het onderhoud van de woning.
3.2.1.
Eiser doet een beroep op feiten en omstandigheden die volgens hem tot een lagere waardering van de woning leiden. Dan is het aan hem te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat dergelijke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt eiser daarin, dan moet de heffingsambtenaar aannemelijk maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden. [2] De rechtbank kan vaststelling van de consequenties van genoemde feiten en omstandigheden door een taxateur – zoals in een taxatie tot uitdrukking kan worden gebracht in een correctie(factor) – niet op ‘juistheid’ beoordelen. Dit is een taxatie-technische waardering en de vaststelling daarvan ligt op het terrein van een taxateur als de deskundige. De rechtbank waardeert een taxatierapport (als bewijsstuk) wel en kan de vaststelling – voor zover deze wordt betwist en wat in het kader van die betwisting wordt aangevoerd – bijvoorbeeld beoordelen op begrijpelijkheid. [3]
3.2.2.
De rechtbank overweegt dat eiser wel conclusies trekt ten aanzien van de toestand van de woning, maar dat hij geen feiten stelt (die deze conclusies kunnen dragen). Eiser heeft daarom niet voldaan aan zijn stelplicht. De rechtbank overweegt verder dat de heffingsambtenaar in zijn verweerschrift per vergelijkingsobject een toelichting heeft gegeven op (onder andere) de toestand daarvan. De heffingsambtenaar heeft ook in voorkomend geval toegelicht waarom hij wat de toestand betreft – uitgesplitst naar kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid en voorzieningen – de woning en de vergelijkingsobjecten deels anders heeft gewaardeerd. De rechtbank kan dat volgen, mede in aanmerking genomen dat eiser het een en ander niet (concreet) heeft weersproken.
3.3.
Eiser bepleit een lagere waarde van € 318.000. Ter onderbouwing van dit waardestandpunt verwijst eiser naar de door hem overgelegde waardematrix die is opgesteld door Woning Waarderingsmeesters B.V. Ook daarin is de vergelijkingsmethode toegepast. De woning is vergeleken met drie andere woningen, te weten [adres] , [adres] en [adres] , alle in [woonplaats] . In de waardematrix zijn de uit de transactiecijfers van de vergelijkingsobjecten afgeleide m²-prijzen gecorrigeerd voor de aldaar benoemde waarderelevante verschillen. Naar het oordeel van de rechtbank zaait eiser met dit waardestandpunt en de onderbouwing daarvan geen twijfel over de juistheid van de vastgestelde waarde. Dat heeft met name te maken met het (gebrek aan) inzichtelijkheid van eisers taxatie. In de waardematrix van eiser is niet inzichtelijk gemaakt hoe de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten doorwerken in de prijs per eenheid (ofwel prijs per m²). Voor de waarde van de bijgebouwen is een verder niet onderbouwd totaalbedrag opgenomen en ook de grondwaarde is niet inzichtelijk opgebouwd. De taxatie van de heffingsambtenaar biedt dit inzicht wel.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van
mr. Y. Mutsaers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.

Voetnoten

1.Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).
2.Hoge Raad 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7597, overweging 3.2.4, Hoge Raad 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1776, overweging 2.4, en Hoge Raad 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571, overweging 4.2.3.
3.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 november 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3914, overweging 4.5.