ECLI:NL:RBOBR:2026:3469
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning met vergelijkingsmethode en onderhoudstoestand
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarden van zijn vrijstaande woning voor de waardepeildata 1 januari 2023 en 1 januari 2024. De heffingsambtenaar heeft de waarden vastgesteld op respectievelijk € 656.000 (verlaagd naar € 623.000 na bezwaar) en € 682.000, waarbij de vergelijkingsmethode is toegepast met drie vergelijkingsobjecten per jaar. De rechtbank oordeelt dat deze vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met de woning van eiser.
Eiser voert aan dat de woning in slechte staat verkeert en dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met gebreken zoals een verouderd dak, houtparasieten, achterstallig onderhoud en een niet-functionerende cv-installatie. De rechtbank stelt dat het aan eiser is om deze feiten te stellen en te bewijzen, en aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat hiermee voldoende rekening is gehouden. De rechtbank volgt de taxaties van de heffingsambtenaar, die neerwaartse correcties van circa € 270.000 (2023) en € 207.000 (2024) toepast.
Eiser heeft geen onderbouwde offerte of bewijs voor zijn geschatte herstelkosten van € 300.000 overgelegd en zaait met zijn eigen taxatierapport geen twijfel over de vastgestelde waarden. De rechtbank wijst het beroep af en veroordeelt eiser tot betaling van griffierecht zonder proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De beroepen tegen de vastgestelde WOZ-waarden worden ongegrond verklaard en de waarden blijven gehandhaafd.