Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2500

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
25/2284
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbWet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling WOZ-waarde woning met vergelijkingsmethode en taxatierapport

Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, een hoekwoning uit 1972 met diverse bijgebouwen en een perceel van 245 m², vastgesteld op €484.000 voor het jaar 2025. De heffingsambtenaar baseerde de waardering op een taxatierapport van 29 december 2025, waarin de vergelijkingsmethode werd toegepast met drie vergelijkingsobjecten in dezelfde buurt.

Eiser voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de ligging en het perceel van de woning en pleit voor een lagere waarde van €420.000, onderbouwd met een eigen waardematrix. De rechtbank oordeelt dat het aan eiser is om feiten en omstandigheden die tot een lagere waardering leiden te stellen en te bewijzen. De rechtbank kan taxatietechnische waarderingen niet op juistheid toetsen, maar wel op begrijpelijkheid.

De rechtbank volgt de heffingsambtenaar in zijn onderbouwing dat de ligging van de woning en vergelijkingsobjecten vergelijkbaar is en dat de waardebepaling deze omstandigheden voldoende verdisconteert. De eigen taxatie van eiser wekt geen twijfel omdat deze niet inzichtelijk is opgesteld, onduidelijk is wie de taxateur is, en essentiële onderdelen zoals de grondwaarde en bijgebouwwaardering niet zijn onderbouwd.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst terugbetaling van griffierecht en proceskosten af, en bevestigt daarmee de vastgestelde WOZ-waarde van €484.000. Partijen is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch binnen zes weken na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €484.000 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2284
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Oirschot, de heffingsambtenaar

([naam]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem vastgestelde WOZ [1] -waarde van de woning aan de [adres] in [woonplaats] (de woning) niet te hoog is.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning met de beschikking van 21 februari 2025 vastgesteld voor het kalenderjaar 2025 op € 484.000.
1.2.
Met de uitspraak op bezwaar van 30 juli 2025 heeft de heffingsambtenaar de vastgestelde waarde gehandhaafd.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [2]

Feiten

2. Eiser is eigenaar van de woning. Dit is een hoekwoning met bouwjaar 1972. De woning bestaat uit een hoofdbouw van 133 m², een praktijkruimte van 19 m², een vrijstaande berging van 18 m², een overkapping van 12 m² en een carport van 15 m². De grond bij de woning heeft een oppervlakte van 245 m².

Beoordeling door de rechtbank

3. In beroep is het aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar hierin geslaagd.
3.1.
De heffingsambtenaar verwijst ter onderbouwing van de vastgestelde waarde naar de getaxeerde waarde van € 494.000, zoals opgenomen in het door hem overgelegde taxatierapport dat op 29 december 2025 is opgesteld door taxateur E. Dekker. Daarin is de vergelijkingsmethode toegepast. Dat betekent in dit geval dat de woning is vergeleken met drie andere woningen, te weten [adres], [adres] en [adres], alle in [woonplaats]. Deze woningen worden de vergelijkingsobjecten genoemd. In de waardematrix heeft de heffingsambtenaar de uit de transactiecijfers van de vergelijkingsobjecten afgeleide m²-prijzen gecorrigeerd voor de door hem benoemde waarderelevante verschillen.
3.2.
Eiser vindt dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de ligging en het perceel van de woning.
3.2.1.
Eiser doet een beroep op feiten en omstandigheden die volgens hem tot een lagere waardering van de woning leiden. Dan is het aan hem te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat dergelijke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt eiser daarin, dan moet de heffingsambtenaar aannemelijk maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden. [3] De rechtbank kan vaststelling van de consequenties van genoemde feiten en omstandigheden door een taxateur – zoals in een taxatie tot uitdrukking kan worden gebracht in een correctie(factor) – niet op ‘juistheid’ beoordelen. Dit is een taxatie-technische waardering en de vaststelling daarvan ligt op het terrein van een taxateur als de deskundige. De rechtbank waardeert een taxatierapport (als bewijsstuk) wel en kan de vaststelling – voor zover deze wordt betwist en wat in het kader van die betwisting wordt aangevoerd – bijvoorbeeld beoordelen op begrijpelijkheid. [4]
3.2.2.
Wat de ligging van de woning betreft heeft de heffingsambtenaar in het verweerschrift toegelicht dat de woning en de vergelijkingsobjecten alle in dezelfde buurt zijn gelegen. De vergelijkingsobjecten [adres] en [adres] hebben een vergelijkbare ligging, omdat deze in de nabijheid van elektriciteitsmasten en een doorgaande weg zijn gesitueerd. De rechtbank kan dat volgen en vindt dat deze omstandigheden daarmee voldoende zijn verdisconteerd in de waardebepaling. Het argument van eiser slaagt daarom niet.
3.3.
Eiser bepleit een lagere waarde van € 420.000. Ter onderbouwing van dit waardestandpunt verwijst eiser naar de door hem overgelegde waardematrix die is opgesteld door Woning Waarderingsmeesters B.V. Ook daarin is de vergelijkingsmethode toegepast. De woning is vergeleken met drie deels andere woningen, te weten [adres], [adres] en [adres], alle in [woonplaats]. In de waardematrix zijn de uit de transactiecijfers van de vergelijkingsobjecten afgeleide m²-prijzen gecorrigeerd voor de aldaar benoemde waarderelevante verschillen. Naar het oordeel van de rechtbank zaait eiser met dit waardestandpunt en de onderbouwing daarvan geen twijfel over de juistheid van de vastgestelde waarde. Allereerst blijkt uit de waardematrix niet door wie deze is opgesteld en dus of de opsteller wel een deskundige (taxateur) is. En zelfs als dat laatste het geval is, dan overtuigt de taxatie van de heffingsambtenaar meer dan die van eiser. Dat heeft met name te maken met het (gebrek aan) inzichtelijkheid van eisers taxatie. In de waardematrix van eiser is niet inzichtelijk gemaakt hoe de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten doorwerken in de prijs per eenheid (ofwel prijs per m²). Voor de waarde van de bijgebouwen is een verder niet onderbouwd totaalbedrag opgenomen en ook de grondwaarde is niet inzichtelijk opgebouwd. Evenmin is duidelijk op basis van welke uitgangspunten de indexering van de verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten heeft plaatsgevonden. De taxatie van de heffingsambtenaar biedt dit inzicht wel.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van N. Verhoeven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.

Voetnoten

1.Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).
2.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Hoge Raad 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7597, overweging 3.2.4, Hoge Raad 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1776, overweging 2.4, en Hoge Raad 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571, overweging 4.2.3.
4.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 november 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3914, overweging 4.5.