ECLI:NL:RBOBR:2026:2500
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning met vergelijkingsmethode en taxatierapport
Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, een hoekwoning uit 1972 met diverse bijgebouwen en een perceel van 245 m², vastgesteld op €484.000 voor het jaar 2025. De heffingsambtenaar baseerde de waardering op een taxatierapport van 29 december 2025, waarin de vergelijkingsmethode werd toegepast met drie vergelijkingsobjecten in dezelfde buurt.
Eiser voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de ligging en het perceel van de woning en pleit voor een lagere waarde van €420.000, onderbouwd met een eigen waardematrix. De rechtbank oordeelt dat het aan eiser is om feiten en omstandigheden die tot een lagere waardering leiden te stellen en te bewijzen. De rechtbank kan taxatietechnische waarderingen niet op juistheid toetsen, maar wel op begrijpelijkheid.
De rechtbank volgt de heffingsambtenaar in zijn onderbouwing dat de ligging van de woning en vergelijkingsobjecten vergelijkbaar is en dat de waardebepaling deze omstandigheden voldoende verdisconteert. De eigen taxatie van eiser wekt geen twijfel omdat deze niet inzichtelijk is opgesteld, onduidelijk is wie de taxateur is, en essentiële onderdelen zoals de grondwaarde en bijgebouwwaardering niet zijn onderbouwd.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst terugbetaling van griffierecht en proceskosten af, en bevestigt daarmee de vastgestelde WOZ-waarde van €484.000. Partijen is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch binnen zes weken na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €484.000 wordt ongegrond verklaard.