ECLI:NL:RBOBR:2026:2073
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en afwijzing beroep tegen vaststelling
Eiser, mede-eigenaar van een twee-onder-een-kapwoning, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van €421.000 die de heffingsambtenaar voor het kalenderjaar 2025 had vastgesteld. Na handhaving van deze waarde in bezwaar, stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank liet een tweede taxatierapport van eiser buiten beschouwing omdat dit te laat was ingediend, na de gestelde reactietermijn en zonder verzoek om zitting. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een waardematrix waarin de vergelijkingsmethode werd toegepast op drie vergelijkingsobjecten, met correcties voor relevante verschillen.
Eiser stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met de verminderde kwaliteit, onderhoud en voorzieningen van de woning, en bepleitte een lagere waarde van €400.000. De rechtbank oordeelde dat eiser geen concrete feiten had gesteld ter onderbouwing van deze conclusies en dat de taxatie van de heffingsambtenaar overtuigender en inzichtelijker was dan die van eiser.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard, bleef de WOZ-waarde ongewijzigd en kreeg eiser geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €421.000 wordt ongegrond verklaard en de waarde blijft gehandhaafd.