ECLI:NL:RBOBR:2026:1711

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
C/01/405254 / HA ZA 24-369
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:46 BWArt. 4:52 BWArt. 68a Overgangswet NBWArt. 118 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg testament en erfgenaamschap na echtscheiding van ex-echtgenote en stiefdochter

De zaak betreft de uitleg van een testament waarin erflater zijn aanstaande echtgenote, zijn kinderen en het kind van zijn aanstaande echtgenote tot erfgenamen benoemde. Na echtscheiding van erflater en zijn aanstaande echtgenote ontstond onduidelijkheid over de erfgenaamschap van de ex-echtgenote en de stiefdochter.

De rechtbank overwoog dat het testament is opgesteld kort voor het huwelijk en dat de bepalingen niet voorzien in de situatie van echtscheiding. Op grond van artikel 4:52 BW Pro vervalt het erfgenaamschap van de ex-echtgenote door de echtscheiding, tenzij anders blijkt uit het testament, wat hier niet het geval is. Voor de stiefdochter geldt dit artikel niet, maar de rechtbank vond de bepaling onduidelijk en legde het testament uit in het licht van de omstandigheden en verklaringen.

De verklaringen van de ex-echtgenote en de biologische dochter gaven aan dat erflater na echtscheiding alleen zijn biologische dochter als erfgenaam wilde. De stiefdochter kon onvoldoende bewijs leveren dat zij na echtscheiding nog erfgenaam zou zijn. De rechtbank wees de vorderingen van de ex-echtgenote toe en wees de tegenvordering van de stiefdochter af.

De rechtbank verklaarde voor recht dat alleen de biologische dochter erfgenaam is en dat de ex-echtgenote en stiefdochter geen erfgenamen zijn. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank verklaart dat alleen de biologische dochter erfgenaam is en dat de ex-echtgenote en stiefdochter geen erfgenamen zijn.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/405254 / HA ZA 24-369
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. A.M.C.J. Dekkers-de Jong,
tegen
[gedaagde 1],
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
advocaat: mr. S. Meeuwsen,
en
[gedaagde 2],
te [land] ,
gedaagde partij in conventie,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
advocaat: mr. A.J.W. Vugs.

1.Inleiding en korte samenvatting beslissing

1.1.
[eiseres] is de moeder van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn halfzussen.
1.2.
Tussen partijen is onenigheid ontstaan over de uitleg van een testament.
Dit testament is opgemaakt door [erflater] (hierna: erflater). Hij is ongeveer 14 jaar gehuwd geweest met [eiseres] , daarna zijn zij gescheiden. [gedaagde 2] is hun dochter.
[gedaagde 1] is de stiefdochter van erflater. Zij is geboren uit een eerder huwelijk van [eiseres] .
1.3.
Het testament is opgemaakt kort vóór het huwelijk van erflater met [eiseres] . Daarin zijn tot erfgenamen benoemd “
mijn voornoemde aanstaande echtgenote, mijn kinderen en het kind van mijn aanstaande echtgenote”.
1.4.
Volgens ex-echtgenote [eiseres] is alleen dochter [gedaagde 2] erfgenaam. Als de rechtbank dit niet volgt zijn er volgens [eiseres] drie erfgenamen, ieder voor gelijke delen.
Stiefdochter [gedaagde 1] is het daar niet mee eens. Zij is van mening dat zij nog wel erfgenaam is, naast dochter [gedaagde 2] . [eiseres] is dat volgens [gedaagde 1] echter niet meer.
Dochter [gedaagde 2] is het met ex-echtgenote [eiseres] eens dat alleen [gedaagde 2] erfgenaam is.
1.5.
In dit vonnis komt de rechtbank tot het oordeel dat de bepaling in het testament van erflater niet duidelijk is. Deze bepaling wordt zo uitgelegd dat alleen dochter [gedaagde 2] erfgenaam is, en dat ex-echtgenote [eiseres] en stiefdochter [gedaagde 1] dat niet meer zijn.

2.De procedure

2.1.
Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 25 september 2024 en de daarin genoemde stukken,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] van 20 november 2024,
- de mondelinge behandeling van 22 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is bepaald dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

3.De feiten

3.1.
[gedaagde 1] is een dochter van [eiseres] . Zij is geboren uit het eerste huwelijk van [eiseres] .
3.2.
[eiseres] heeft een relatie gekregen met erflater. Zij hebben samen één dochter gekregen: [gedaagde 2] . [gedaagde 2] is geboren op [geboortedatum] 1989.
3.3.
In 1990 zijn [eiseres] en erflater gehuwd. In 2004 is de echtscheiding uitgesproken.
3.4.
Erflater is op [overlijdensdatum] 2024 in Boxmeer overleden.
3.5.
Erflater heeft bij testament van 5 juni 1990 over zijn nalatenschap beschikt. In het testament heeft erflater tot zijn enige erfgenamen van zijn nalatenschap benoemd: “
zulks gezamenlijk en voor gelijke delen: mijn voornoemde aanstaande echtgenote, mijn kinderen en het kind van mijn aanstaande echtgenote”. Ook heeft erflater “
mijn genoemde aanstaande echtgenote” benoemd tot executeur.

4.Het geschil

4.1.
[eiseres] vordert - samengevat - bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voor recht:
Primair:
Dat zowel [eiseres] als [gedaagde 1] , vanwege de verbroken huwelijksband, geen erfgenamen zijn in de nalatenschap van erflater en dat de biologische dochter van erflater, [gedaagde 2] , de enige erfgenaam is in de nalatenschap van erflater.
Subsidiair:
Dat [eiseres] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] met zijn drieën, ieder voor gelijke delen, erfgenaam zijn en te bepalen dat [eiseres] in dat geval ook dient te worden benoemd tot executeur en dat de notaris er in dat geval - ook bij verzet door gedaagde - aan zal moeten meewerken dat er een verklaring van erfrecht wordt opgesteld, waaruit duidelijk voortvloeit dat [eiseres] in dat geval als executeur dient over te gaan tot het afwikkelen van de nalatenschap van erflater.
Meer subsidiair:
Wat de inhoud en strekking van het testament van erflater inhoudt op een wijze als in goede justitie juist wordt geacht.
4.2.
[eiseres] legt aan haar vorderingen (in conventie) het volgende ten grondslag.
Een redelijke uitleg van het testament leidt ertoe dat alleen [gedaagde 2] erfgenaam is.
Er moet rekening worden gehouden met de verhoudingen die de uiterste wil wenste te regelen en de omstandigheden waaronder deze is opgemaakt. Het testament is opgemaakt op het moment dat [eiseres] en erflater op het punt stonden om te gaan trouwen. Het was onbekend dat het huwelijk relatief kort zou duren. Met de inhoud van het testament en de daaraan verbonden kwalificaties heeft erflater willen aangeven dat [eiseres] en [gedaagde 1] enkel en alleen dan erfgenamen zullen zijn indien op het moment van overlijden nog (immer) sprake was van een huwelijksband. De notaris heeft dit niet duidelijk geformuleerd. Het feit dat [eiseres] en [gedaagde 1] niet met naam en toenaam zijn vermeld, maar in hun hoedanigheid “aanstaande echtgenote” en “kind van mijn aanstaande echtgenote” is een duidelijke aanwijzing in die richting. Door die bewoordingen had erflater kennelijk voor ogen dat het testament ten gunste van [eiseres] niet zou gelden in het geval het huwelijk door echtscheiding zou worden ontbonden. Dat is vaste rechtspraak [1] .
Er is recht en belang bij de verklaring voor recht. Zolang onduidelijk is wie de erfgenamen en/of executeur is/zijn wordt geen verklaring van erfrecht afgegeven door de notaris.
De nalatenschap kan dan niet worden afgewikkeld. Het is niet te verwachten dat daarover in onderling overleg overeenstemming zal worden bereikt
4.3.
[gedaagde 1] is het niet eens met de vorderingen van [eiseres] .
[gedaagde 1] concludeert onder meer tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] omdat niet duidelijk is in welke hoedanigheid de vorderingen zijn ingediend. Verder dienen de vorderingen te worden afgewezen. Ten tijde van het overlijden van erflater was [eiseres] zijn echtgenote niet meer, zodat zij geen erfgenaam is. De genoemde rechtspraak geldt niet voor stiefkinderen. [gedaagde 1] is van mening dat zij nog wel erfgenaam is. Zij heeft daarom een tegenvordering ingediend. Haar tegenvordering (de vordering in reconventie) strekt er toe dat voor recht wordt verklaard dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , ieder voor gelijke delen, de erfgenamen zijn van erflater.
4.4.
[gedaagde 2] is na het vonnis in incident door [eiseres] opgeroepen op grond van artikel 118 Rv Pro. [gedaagde 2] is het eens met [eiseres] . [gedaagde 2] refereert zich aan haar primaire vordering. Ook volgens [gedaagde 2] moet worden verklaard dat [eiseres] en [gedaagde 1] geen erfgenamen meer zijn.
4.5.
Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

de vorderingen van [eiseres] en de tegenvordering [gedaagde 1]
5.1.
Beide vorderingen gaan over de hiervoor genoemde bepaling in het testament van erflater. De vorderingen worden daarom gezamenlijk behandeld.
5.2.
Zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken, staat niet meer ter discussie of [eiseres] in haar vorderingen kan worden ontvangen. Ook met het vonnis in incident is inmiddels voldoende duidelijk dat de vorderingen door [eiseres] in haar hoedanigheid van (eventuele) erfgenaam zijn ingediend.
5.3.
Partijen verschillen van mening over de vraag of naast dochter [gedaagde 2] ook ex-echtgenote [eiseres] en/of stiefdochter [gedaagde 1] erfgenamen zijn van erflater. [eiseres] en [gedaagde 1] zijn in het testament van erflater aangeduid als “
mijn aanstaande echtgenote” en “
het kind van mijn aanstaande echtgenote”. In het testament is niets bepaald voor het geval het huwelijk op het moment van overlijden door echtscheiding zou zijn ontbonden.
5.4.
Omdat het testament is gemaakt voor 1 januari 2003 (onder het oude recht), maar erflater daarna (onder het nieuwe recht) is overleden, is artikel 4:46 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing op grond van artikel 68a Overgangswet NBW.
5.5.
Over artikel 4:46 lid 1 BW Pro heeft de Hoge Raad onder meer overwogen [2] dat bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Bij het vaststellen van de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, kunnen feiten en omstandigheden van na het opmaken van de uiterste wil van belang zijn, omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt. Ten tijde van het opmaken van de uiterste wil bij de erflater bestaande verwachtingen over toekomstige gebeurtenissen zullen in aanmerking kunnen komen als omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt.
Verwachtingen van de erflater over de toekomst kunnen ook van belang zijn bij het vaststellen van de verhoudingen die de erflater met de uiterste wil kennelijk wenst te regelen. In het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2013 [3] ligt besloten dat voor de vaststelling van de verhoudingen die de erflater met de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, mede acht geslagen kan worden op verklaringen van getuigen omtrent hetgeen de erflater heeft beoogd. Doen zich na het opmaken van de uiterste wil feiten en omstandigheden voor waardoor de feitelijke verhoudingen niet langer aansluiten bij hetgeen de erflater kennelijk wenste te regelen, dan kan de uiterste wil zo worden uitgelegd dat de desbetreffende beschikking alleen gold voor de situatie die bestond voordat de bedoelde feiten en omstandigheden zich hadden voorgedaan. Voor een zodanige uitleg is niet vereist dat de erflater bij het opmaken van de uiterste wil op de bedoelde feiten en omstandigheden is vooruitgelopen, aldus de Hoge Raad.
5.6.
Alleen als de uiterste wil onduidelijk is mag voor de uitleg van een wilsbeschikking gebruik worden gemaakt van daden of verklaringen van erflater buiten de uiterste wil (artikel 4:46 lid 2 BW Pro). Daarbij zal eventueel ook betekenis kunnen worden toegekend aan daden of verklaringen van erflater vóór en na het maken van de uiterste wil voor zover daarmee de bedoelingen van erflater ten tijde van het maken van de uiterste wil kunnen worden achterhaald.
5.7.
Wat betreft de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt vindt de rechtbank het volgende van belang. Op 5 juni 1990 was erflater 47 jaar oud. Erflater vormde op dat moment een gezin met [eiseres] , haar dochter [gedaagde 1] (toen 7 jaar) en hun gezamenlijke dochter [gedaagde 2] (toen 7 maanden). Erflater stond op het punt met [eiseres] in het huwelijk te treden. Dat is kort daarna ook gebeurd, namelijk op 29 juni 1990. Kennelijk heeft erflater gewild dat zijn aanstaande echtgenote goed verzorgd achter zou blijven voor het geval hij vóór haar zou komen te overlijden. Aan de aanstaande echtgenote zijn alle roerende en onroerende zaken van de nalatenschap gelegateerd en ook het vruchtgebruik van de hele nalatenschap. Daarnaast is zij ook tot erfgename benoemd.
5.8.
Uit het testament van erflater leidt de rechtbank af welke verhoudingen hij daarmee -kennelijk- wilde regelen. Erflater heeft zijn aanstaande echtgenote, zijn kinderen en zijn stiefdochter als enig erfgenamen benoemd en zijn aanstaande echtgenote tot executeur benoemd. Erflater heeft er in zijn testament dus uitdrukkelijk rekening gehouden met de mogelijkheid dat hij naast [gedaagde 2] nog één of meer kinderen zou krijgen.
[eiseres] wordt vooraan in het testament met naam genoemd voorafgegaan door de aanduiding “mijn aanstaande echtgenote”. [gedaagde 1] wordt in het testament uitsluitend aangeduid als: “het kind van mijn aanstaande echtgenote”. Het testament bevat geen enkele bepaling die uitdrukkelijk ziet op het geval het huwelijk op het moment van overlijden door echtscheiding zou zijn ontbonden.
5.9.
Wat betreft de erflating ten gunste van ex-echtgenote [eiseres] geldt dat deze door de echtscheiding is doorkruist, zoals is bepaald in artikel 4:52 BW Pro. In dit artikel staat dat door echtscheiding de uiterste wil ten gunste van de (ex-)echtgenoot geen werking heeft, tenzij uit de uiterste wil zelf het tegendeel is af te leiden. Dit artikel is ook van toepassing op het testament van erflater uit 1990 [4] . Vast staat dat uit het testament niet het tegendeel is af te leiden. Dit betekent dat [eiseres] door de echtscheiding geen aanspraak meer kan maken op haar rechten uit hoofde van het testament van erflater.
5.10.
In artikel 4:52 BW Pro is echter niets bepaald over het gevolg van een echtscheiding voor de uiterste wil ten gunste van stiefkinderen, zoals [gedaagde 1] .
5.11.
Recent heeft de rechtbank Amsterdam in een vergelijkbare zaak een (tussen)vonnis [5] gewezen. In dat vonnis is overwogen dat voor de inwerkingtreding van artikel 4:52 BW Pro
over een vergelijkbaar geval is beslist onder het oude recht (geldend tot 1 januari 2003).
In die zaak [6] heeft de Hoge Raad beslist dat de uiterste wil van erflater geen werking heeft voor de voormalige echtgenote en de kinderen van de voormalige echtgenote. Een doorslaggevende omstandigheid daarin was dat in de uiterste wil was opgenomen
“mijn echtgenote”en
“de kinderen van mijn echtgenote”. Door de echtscheiding is geen sprake meer van dezelfde feitelijke verhouding die de erflater in zijn testament heeft willen regelen, aldus die rechtspraak (over het oude recht). In 2003 is deze uitspraak bevestigd [7] .
5.12.
Het is de vraag of erflater ten tijde van het opmaken van zijn testament de bedoeling heeft gehad dat na de echtscheiding van [eiseres] zijn uiterste wil ten gunste van zijn stiefdochter [gedaagde 1] zou blijven staan. Naar het oordeel van de rechtbank is het testament op dit punt niet duidelijk, zodat dient te worden overgegaan tot uitleg daarvan.
5.13.
Behalve de hiervoor genoemde omstandigheden en de verhoudingen die erflater kennelijk heeft willen regelen neemt de rechtbank daarbij de volgende verklaringen in acht. [eiseres] heeft verklaard dat zij voor het huwelijk samen met erflater bij de notaris is geweest, omdat zij een regeling wilden treffen voor wat er bij een eventueel overlijden zou gebeuren. Volgens [eiseres] was het de bedoeling van erflater dat zowel zij als haar dochter [gedaagde 1] alleen zouden meedelen in de nalatenschap als er op het moment van overlijden nog steeds een huwelijk was. Als er echter een echtscheiding zou komen, zou de nalatenschap uitsluitend voor [gedaagde 2] zijn. Volgens [eiseres] heeft erflater [gedaagde 1] ook niet aangenomen als pleegkind of eigen kind, om te voorkomen dat de nalatenschap bij zijn overlijden tussen [gedaagde 1] en zijn eigen kind(eren) zou moeten worden gedeeld. Ook na de echtscheiding hadden [eiseres] en erflater contact met elkaar. Hun band was volgens [eiseres] goed: zij zagen elkaar regelmatig en [eiseres] deed onder meer de boodschappen voor erflater. Erflater is ziek geworden en heeft [eiseres] in die periode gezegd: “
Het is voor [gedaagde 2](toevoeging rechtbank: [gedaagde 2] )
en haar kinderen, ik laat hen goed verzorgd achter”. Erflater heeft dit volgens [eiseres] en [gedaagde 2] ook verklaard richting zijn verzorgers en derden. Zowel [eiseres] als [gedaagde 2] hebben verklaard dat er niet expliciet over de inhoud van het testament is gesproken, ook niet tijdens de ziekte van erflater.
Ook [gedaagde 2] had een goede band met erflater. Volgens haar heeft erflater niet gezegd dat hij [eiseres] nog als erfgenaam wilde na zijn overlijden. [gedaagde 2] vermoedt dat erflater dacht dat één en ander goed geregeld was met dit testament, in die zin dat zij, zijn biologische dochter, na de echtscheiding zijn enige erfgenaam zou zijn.
5.14.
[gedaagde 1] stelt daar tegenover dat het testament zo moeten worden uitgelegd dat zij nog steeds erfgenaam is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde 1] gelet op de overwegingen hiervoor en ook de verklaringen tijdens de mondelinge behandeling onvoldoende gesteld om tot het bewijs te kunnen worden toegelaten. Zo heeft zij niet concreet aangegeven waaruit zou moeten blijken dat erflater ten tijde van het opmaken van zijn testament de bedoeling heeft gehad dat zij ook na de echtscheiding nog erfgenaam zou zijn. Nog daargelaten dat er volgens de verklaringen sinds de echtscheiding niet of nauwelijks contact is geweest tussen erflater en [gedaagde 1] , is gesteld noch gebleken uit welke verklaringen of gedragingen van erflater dat zou moeten volgen. [gedaagde 1] staat in het testament niet met naam genoemd. Zij wordt daarin alleen aangeduid als “het kind van mijn aanstaande echtgenote”, waarmee [eiseres] in die hoedanigheid steeds als schakel fungeerde voor de benoeming van [gedaagde 1] tot erfgenaam van erflater. Er is geen enkele aanwijzing dat erflater bedoeld heeft [gedaagde 1] een eigen positie als erfgenaam te geven. Dat er jarenlang sprake is geweest van een gezinsverband en dat erflater met het oog daarop in zijn testament voor die situatie, te weten het bestaan van dat gezinsverband, bewust is afgeweken van de wettelijke erfopvolging maakt dit niet anders.
Het is begrijpelijk dat [gedaagde 1] zich niet kan voorstellen dat het de wens van erflater was dat zij geen erfgenaam meer zou zijn in geval van echtscheiding, maar dat is niet voldoende om tot bewijs te worden toegelaten. In het dossier van de notaris die het testament heeft opgesteld zijn mogelijk nog aanwijzingen voor de door [gedaagde 1] bepleite uitleg te vinden. De advocaat van [eiseres] heeft pogingen gedaan, maar zij heeft het dossier niet kunnen achterhalen. [gedaagde 1] heeft dat niet betwist. Verder heeft zij geen enkele concrete aanwijzing kunnen geven waaruit kan volgen dat het ten tijde van het opstellen van de wilsbeschikking de bedoeling is geweest van erflater dat zij ook in geval van echtscheiding nog steeds zijn erfgenaam zou zijn.
5.15.
De conclusie van de rechtbank is dat de primaire vordering van [eiseres] (in conventie) kan worden toegewezen. Aan de beoordeling van de subsidiaire vorderingen wordt dan niet meer toegekomen.
5.16.
De aard van dat wat wordt toegewezen (een verklaring voor recht) is aanleiding om de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad-verklaring af te wijzen.
5.17.
Uit de toewijzing van de primaire vordering van [eiseres] vloeit al voort dat de tegenvordering van [gedaagde 1] (in reconventie) moet worden afgewezen.
5.18.
Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dat geldt zowel in conventie als in reconventie.

6.De beslissing

in conventie
De rechtbank
6.1.
verklaart voor recht dat [eiseres] en [gedaagde 1] geen erfgenamen zijn in de nalatenschap van [erflater] en dat [gedaagde 2] , geboren op [geboortedatum] 1989, de enige erfgenaam is in zijn nalatenschap,
6.2.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.3.
wijst de vorderingen af,
in conventie en in reconventie
6.4.
compenseert de kosten van de procedure zowel in conventie als in reconventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.M. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.onder meer gerechtshof Amsterdam 18 februari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:521
2.HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531
4.In werking getreden op 1 januari 2003, met onmiddellijke werking en geldt volgens het overgangsrecht van artikel 68a Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ook voor oudere testamenten, zie ook rechtbank Amsterdam 7 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:2965
5.rechtbank Amsterdam 7 mei 2025, ECLI:NLRBAMS:2025:2965
6.Hoge Raad 31 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2265
7.Hoge Raad 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7003