ECLI:NL:RBOBR:2025:2147
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning ongegrond verklaard
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de waardering van een woning centraal. De heffingsambtenaar had de WOZ-waarde van de woning vastgesteld op €949.000 voor het kalenderjaar 2023. Eiser, mede-eigenaar en gebruiker van de woning, stelde beroep in tegen deze vaststelling omdat hij meende dat onvoldoende rekening was gehouden met de gedateerde staat van de keuken en badkamer.
De rechtbank oordeelt dat eiser gerechtigd was beroep in te stellen en dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De heffingsambtenaar baseerde zich op een taxatierapport waarin de vergelijkingsmethode werd toegepast met vier vergelijkingsobjecten. Correcties voor kwaliteitsverschillen, waaronder de staat van keuken en badkamer, zijn volgens de rechtbank adequaat toegepast.
De rechtbank benadrukt dat de waardering van kwaliteitsaspecten een taxatietechnische beoordeling is die zij niet op juistheid kan toetsen, maar wel op begrijpelijkheid. Omdat eiser geen concrete feiten of bewijs heeft geleverd over de slechte staat van de keuken en badkamer, is zijn stelplicht en bewijslast niet vervuld. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard.