ECLI:NL:RBOBR:2022:5474
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde vrijstaande woning
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn vrijstaande woning, die aanvankelijk op €869.000 was vastgesteld en na bezwaar werd verlaagd naar €815.000. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de waardering correct heeft toegepast en of de vergelijkingsobjecten passend zijn.
De rechtbank oordeelt dat de gebruikte vergelijkingsmethode juist is toegepast en dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn. De waardering van de vliering als woonruimte wordt bevestigd, evenals de aparte waardering van de serre. De mantelzorgunit is terecht als verblijfsruimte gewaardeerd, ondanks dat deze niet als zodanig is gerealiseerd. Achterstallig onderhoud is onvoldoende onderbouwd om de waarde te verlagen.
De rechtbank weegt mee dat de woning in 2018 voor €760.000 is gekocht en dat de waardering aansluit bij de marktontwikkelingen. Gezien deze omstandigheden is de vastgestelde WOZ-waarde aannemelijk en blijft deze in stand. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waarbij eiser geen griffierecht of proceskosten vergoed krijgt.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €815.000 wordt ongegrond verklaard.