ECLI:NL:RBOBR:2018:924
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank bevestigt niet-woningstatus recreatiepark en juiste OZB-heffing eigenaar en gebruiker
De rechtbank Oost-Brabant behandelde het beroep van een eigenaar en gebruiker van een recreatiepark tegen de aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) voor het kalenderjaar 2016. Het geschil betrof de vraag of het recreatiepark als woning of niet-woning moet worden aangemerkt en of de toegepaste tarieven en grondslagen voor de OZB correct zijn.
Het object bestaat uit 18 recreatiewoningen, een clubhuis, een golfbaan met drivingrange, opslagruimten, parkwegen en parkeerterreinen op één kavel. Verweerder heeft aangetoond dat het object niet in hoofdzaak tot woning dient, omdat minder dan 70% van de WOZ-waarde aan woondoeleinden kan worden toegerekend. Eisers konden de door verweerder gehanteerde waardeverdeling niet aannemelijk betwisten.
De rechtbank bevestigde dat verweerder terecht het niet-woningtarief heeft toegepast voor de OZB eigenaar en gebruiker. Ook concludeerde de rechtbank dat de gehanteerde grondslag voor de OZB gebruiker, rekening houdend met de woondelenvrijstelling, niet te hoog is. De beroepen van eisers werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de heffing van OZB eigenaar en gebruiker tegen het niet-woningtarief met de gehanteerde grondslagen.