Belanghebbenden, vader en zoon, zijn eigenaar van gesplitste delen van een woonboerderij en betwisten de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarden voor het jaar 2013. De heffingsambtenaar hanteerde de vergelijkingsmethode met referentie aan vergelijkbare woonboerderijen en woningen in het buitengebied. Belanghebbenden stellen dat de woonboerderij als ééngezinswoning moet worden gewaardeerd en dat de toegepaste vergelijkingsobjecten onjuist zijn.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, hetgeen belanghebbenden in hoger beroep aanvochten. Het hof oordeelt dat de WOZ-waarde moet worden bepaald op basis van de volle en onbezwaarde eigendom en dat de gesplitste percelen als afzonderlijke objecten dienen te worden gewaardeerd. De vergelijkingsmethode is een bruikbare waarderingsmethode, en de heffingsambtenaar heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de vastgestelde waarden niet te hoog zijn.
Het hof verwerpt het standpunt van belanghebbenden dat het bezwaar ook betrekking heeft op een derde object waarvoor geen bezwaar is ingediend. Daarnaast acht het hof de door belanghebbenden overgelegde taxatierapporten onvoldoende overtuigend en onvolledig onderbouwd. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.