ECLI:NL:RBOBR:2016:3374
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging disciplinair ontslag wegens ernstig plichtsverzuim bij beveiligingsmedewerker
Eiser was sinds 2005 werkzaam als beveiliger bij het Van Abbemuseum en kreeg op 30 september 2015 disciplinaire strafontslag opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim. Dit plichtsverzuim bestond uit het niet adequaat reageren op een dubbel alarm in het museum, waarbij eiser niet binnen de vereiste 30 minuten aanwezig was en in plaats daarvan doorreed naar Meppel.
Eiser voerde aan dat het besluit tot ontslag een bevoegdheidsgebrek vertoonde, omdat het niet duidelijk was namens welk bestuursorgaan het besluit was genomen en de ondertekening niet voldeed aan de vereisten. De rechtbank constateerde dat het besluit namens het college van burgemeester en wethouders was genomen door een gemandateerde wethouder, maar dat dit niet expliciet in het besluit stond. Dit werd echter gepasseerd op grond van artikel 6:22 Awb Pro, omdat eiser daardoor niet werd benadeeld.
De rechtbank oordeelde dat het disciplinaire ontslag proportioneel was gezien de ernst van het plichtsverzuim. Eiser was gewaarschuwd en op zijn verantwoordelijkheden gewezen, maar koos ervoor niet terug te keren op het alarm. De belangen van de werkgever om betrouwbare medewerkers te hebben, wogen zwaarder dan het behoud van de functie van eiser.
Het beroep werd ongegrond verklaard. Wel werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser, omdat het bevoegdheidsgebrek een reden was om beroep in te stellen. De rechtbank wees het beroep af en bevestigde het ontslag.
Uitkomst: Het beroep tegen het disciplinair ontslag wordt ongegrond verklaard en het ontslag bevestigd.