Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 juni 2016 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de korpschef van de politie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
“(…) Ter zitting van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij zag dat aangever iets blauws, verdachte denkt een kettingslot, uit de buddyseat van zijn scooter haalde. Verdachte kreeg de indruk dat aangever hem aan wilde vallen en aangever zette hier ook kracht bij door te roepen ‘kom maar op’. Verdachte is vervolgens uit zijn auto gestapt, heeft verstaanbaar geroepen ‘politie’ en heeft zijn dienstpistool gepakt. Verdachte heeft niet betwist dat hij zijn pistool op aangever heeft gericht, maar hij ontkent dat hij hem wilde bedreigen. Volgens verdachte wilde hij aangever aanhouden. De situatie de-escaleerde al snel en aangever bood zijn excuses aan, waarna verdachte en aangever nog kort met elkaar gesproken hebben, elkaar de hand hebben geschud en uit elkaar zijn gegaan. (…) De verklaring van aangever is op verschillende punten onjuist gebleken. Er dient dan ook behoedzaam omgegaan te worden met zijn verklaring die alleen kan worden gebruikt op de punten die ondersteund worden door bewijsmateriaal uit andere bron. De verklaring van aangever dat verdachte een pistool op hem heeft gericht wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen (…). Hun verklaringen sluiten verder niet uit dat verdachte zich door het handelen van aangever bedreigd voelde en ook redelijkerwijs kon voelen en dat hij aangever daarom wilde aanhouden, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van zijn dienstwapen. Deze gang van zaken acht het hof niet onaannemelijk. (…)”