Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 februari 2015 in de zaak tussen
2. SnelWegService B.V.,
de minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder,
Procesverloop
Wbr-vergunning gewijzigd in Fastned. Bij brief van 8 januari 2015 heeft verweerder dit besluit aan de rechtbank toegezonden.
[persoon 1] en [persoon 2], aan de zijde van Fastned [persoon 3] en [persoon 4] en aan de zijde van verweerder [persoon 5], [persoon 6], [persoon 7] en
[persoon 8].
Overwegingen
– kort gezegd – gevorderd (-) de Staat te gebieden de uitvoering van de aanleg en exploitatie van oplaadstations te (doen) staken, (-) de Staat te gebieden de voorgenomen vergunningverlening op te schorten totdat de Europese Commissie een beslissing heeft genomen over de vraag of sprake is van staatssteun en (-) de Staat te gebieden te verhinderen dat oplaadstations worden geplaatst op dan wel binnen 20 kilometer van de verzorgingsplaatsen.
Wbr-vergunning. Dit is zodanig evident dat het bestreden besluit in redelijkheid niet had kunnen worden genomen. Zowel wat betreft de realisatie van het oplaadstation als het gebruik daarvan, zal nimmer aan in ieder geval de voorschriften 1, 6, 8 en 20 van de vergunning kunnen worden voldaan. Snelwegservice concludeert dat haar belangen in relatie tot de veilige exploitatie van haar tankstation niet, althans onvoldoende bij het bestreden besluit zijn onderzocht en gewogen.
Wbr-vergunning is ingetekend op de locatie van de LPG-tank van Snelwegservice, zodat geen aanleiding bestaat deze stelling buiten beschouwing te laten. Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder en Fastned erkennen dat die stelling juist is, dat geen Wbr-vergunning voor dat trafohuisje op de ingetekende locatie verleend mocht worden en dat het bestreden besluit in zoverre onrechtmatig is.
Wbr-vergunning (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4428). Een dergelijk betoog kan volgens die jurisprudentie slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat verweerder op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Wbr-vergunning niet kan worden uitgevoerd. In hetgeen eiseressen hebben aangevoerd bestaat daarvoor geen grond. In dit licht bezien en in aanmerking genomen de brief van de Commissie van 2 oktober 2014, alsook het vonnis van de voorzieningenrechter en het arrest van het gerechtshof, bestaat geen grond voor de conclusie dat de Unierechtelijke verplichting tot loyale samenwerking (zoals neergelegd in artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie) met zich brengt dat de rechtbank het bestreden besluit moet vernietigen. Voor het opnemen van contact met de Commissie over de stand van zaken met betrekking tot de klacht ziet de rechtbank in de gegeven omstandigheden geen aanleiding.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit (van 7 mei 2014 met kenmerk Z8500242814
- weigert de gevraagde vergunning voor zover die betrekking heeft op het plaatsen en behouden van het trafohuisje op verzorgingsplaats De Geffense Barrière;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit is vernietigd;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 328,- aan VPR te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 974,-.