Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:981

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
LEE 25/2404
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek terugkomen van besluit Wajong-uitkering wegens laattijdige aanvraag

Eiser heeft op 11 september 2018 een Wajong-uitkering aangevraagd, maar het UWV weigerde deze toe te kennen omdat hij volgens een arbeidsdeskundig rapport nog in staat was gangbare arbeid te verrichten. Eiser maakte geen bezwaar tegen dit besluit. Pas op 5 juli 2024 diende hij een nieuw verzoek in met aanvullende medische stukken, waarop het UWV besloot hem alsnog een Wajong-uitkering toe te kennen met ingang van die datum.

Eiser maakte bezwaar tegen de ingangsdatum en stelde dat het UWV nalatig was geweest door niet tijdig medische informatie op te vragen bij het UMCG uit 2005 en 2006. De rechtbank oordeelt dat deze informatie niet als nieuw kan worden beschouwd, omdat deze al bestond vóór het eerdere besluit en eiser had moeten zorgen dat deze informatie beschikbaar was bij de eerste aanvraag.

De medische onderzoeken in 2025 bevestigden dat eiser arbeidsongeschikt is, maar de laattijdige aanvraag brengt mee dat het risico van het niet tijdig aanleveren van bewijs bij eiser ligt. De rechtbank concludeert dat het UWV geen evident onredelijk besluit heeft genomen en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit over de Wajong-uitkering is ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de uitkering per 5 juli 2024 is terecht vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2404

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: L. van Straaten).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers verzoek aan het Uwv om terug te komen van zijn besluit van 6 november 2018. Hij is het niet eens met de afwijzing van dat verzoek. Hij voert daarvoor een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt zij uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. In het besluit van 6 november 2018 heeft het Uwv geweigerd om eiser een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen. Eiser heeft het Uwv op 5 juli 2024 gevraagd om terug te komen van dat besluit. Het Uwv heeft met het besluit van 20 februari 2025 eiser per 5 juli 2024 alsnog een Wajong-uitkering toegekend. Met het besluit van 1 juli 2025 op het bezwaar van eiser heeft het Uwv besloten om niet terug te komen van het besluit van 6 november 2018 en is het verder bij het besluit van 20 februari 2025 gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 1 juli 2025.
2.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en eiser heeft aanvullende gronden ingestuurd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het Uwv.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser, geboren op [geboortedatum] , heeft op 11 september 2018 bij het Uwv een Wajong-uitkering aangevraagd. Daarbij heeft hij vermeld dat hij een verslaving, een persoonlijkheidsstoornis en chronisch schouderletsel heeft. De verzekeringsarts A.J. [naam verzekeringsarts 1] heeft in haar rapport van 29 augustus 2018 vastgesteld dat eiser met ingang van (arbitrair) 1 januari 2005 beperkingen heeft; zij heeft die beperkingen neergelegd in twee Functionele Mogelijkhedenlijsten. De arbeidsdeskundige E.J. [naam arbeidsdeskundige] heeft vervolgens in zijn rapport van 29 oktober 2018 vastgesteld dat eiser nog kan werken in gangbare arbeid. Met het besluit van 6 november 2018 heeft het Uwv daarom geweigerd eiser een Wajong-uitkering toe te kennen, omdat hij tenminste 75% van het minimumloon kon verdienen. Eiser heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
3.1.
Op 5 juli 2024 heeft eiser zijn nieuwe verzoek ingediend. Daarbij heeft hij een groot aantal medische stukken overgelegd. Na onderzoek door A.R. [naam arts] , arts (rapport van 15 januari 2025, getoetst en akkoord bevonden door verzekeringsarts M. [naam verzekeringsarts 2] ) en door [naam arbeidsdeskundige] (rapport van 11 februari 2025) heeft het Uwv met het besluit van 20 februari 2025 eiser vanaf 5 juli 2024 alsnog een Wajong-uitkering toegekend. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, omdat hij het niet eens is met die ingangsdatum. Op 16 juni 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep L.W. [naam verzekeringsarts bezwaar en beroep] gerapporteerd. Daarna heeft het Uwv het besluit van 1 juli 2025 genomen en is deze procedure begonnen.

Beoordeling door de rechtbank

Wat vinden partijen?
4. Eiser voert aan dat de medische informatie die hij heeft ingeleverd nieuw gebleken feiten of omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij het indienen van de eerste Wajong-aanvraag in september 2018 had hij de relevante medische informatie nog niet. Het Uwv had toen medische informatie moeten opvragen bij zijn behandelaars. Eiser heeft [naam verzekeringsarts 3] in 2018 ten tijde van de eerste Wajong-aanvraag ingelicht over zijn behandelingen in het UMCG in 2005 en 2006. Het Uwv is door het niet opvragen van medische informatie bij de behandelend sector nalatig geweest. Voor de ingangsdatum van de Wajong-uitkering vindt eiser daarom dat het Uwv moet uitgaan van de aanvraag van 11 september 2018.
5. Het Uwv baseert zijn standpunt op het rapport van 16 juni 2025 van [naam verzekeringsarts bezwaar en beroep] . Er zijn geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden (zogenaamde nova) omdat de brieven van het UMCG dateren uit 2005 en 2006. De informatie in die brieven is dus van vóór het eerdere besluit van 6 november 2018 en kon dus ook vóór dat besluit worden aangevoerd. De UMCG-brieven uit 2005 en 2006 waren bekend bij de huisarts, zodat eiser die daarover had moeten raadplegen. Dat er bij de eerste Wajong-aanvraag in september 2018 geen medische informatie is opgevraagd bij de behandelend sector, is niet nalatig. Het is verder vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat bij een laattijdige aanvraag de bewijslast en het bewijsrisico bij de aanvrager liggen. Wel kan een Wajong-uitkering in het kader van een duuraanspraak per een datum in de toekomst worden toegekend. Dat is in het geval van eiser ook zo en daarom krijgt hij die uitkering alsnog met ingang van 5 juli 2024.
Wat vindt de rechtbank?
6. Het Uwv heeft eisers aanvraag van 5 juli 2024 opgevat als een verzoek om terug te komen van zijn besluit van 6 november 2018 als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb (de tekst van dit artikel staat in de bijlage). Dit betekent dat de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden toetst of het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nova zijn. Als het besluit van 1 juli 2025 die toets doorstaat, kan de bestuursrechter toch aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het besluit evident onredelijk is [1] .
6.1.
Van nova is sprake als deze feiten en omstandigheden na het eerdere besluit zijn voorgevallen of niet vóór dat besluit konden en dus moesten worden aangevoerd, én als het gaat om bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten en omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en dus moesten worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan zijn er toch geen feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, als op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen [2] .
6.2.
Verder is van belang dat eiser zijn eerste aanvraag om een Wajong-uitkering pas in 2018 heeft gedaan. Daarmee was sprake van een laattijdige aanvraag. Volgens vaste rechtspraak komt in zo’n geval het risico dat door tijdsverloop de medische situatie niet meer goed is vast te stellen, voor degene die de late aanvragen doet [3] .
6.3.
[naam arts] en [naam arbeidsdeskundige] hebben een zorgvuldig onderzoek gedaan. [naam arts] heeft in haar uitgebreide rapport van 15 januari 2025 geconcludeerd dat er geen nova in strikte zin zijn, omdat de relevante diagnoses van eiser, alcoholverslaving en persoonlijkheidsstoornis, al waren meegenomen in de Wajong-beoordeling in 2018. Zij kwam echter ook tot de conclusie dat eiser in het kader van de zogenaamde duuraanspraak-jurisprudentie met de nu aangeleverde brieven van het UMCG uit 2005 en 2006 een deugdelijke en toereikende onderbouwing heeft gegeven bij zijn herzieningsaanvraag. Daaruit komt namelijk een beeld naar voren van forsere klachten en belemmeringen dan die welke bij de Wajong-beoordeling in 2018 waren meegenomen. Deze psychische kwetsbaarheid is volgens [naam arts] tot op heden onveranderd gebleven. [naam arbeidsdeskundige] concludeerde in zijn rapport van 11 februari 2025 vervolgens tot 100% arbeidsongeschiktheid.
6.4.
Ook [naam verzekeringsarts bezwaar en beroep] heeft in de bezwaarschriftprocedure een zorgvuldig onderzoek gedaan. In zijn rapport van 16 juni 2025 heeft hij uitvoerig de inmiddels beschikbare informatie op een rijtje gezet. Hij heeft het rapport van [naam arts] beoordeeld en was het daarmee eens. De rapporten van [naam arts] , [naam arbeidsdeskundige] en [naam verzekeringsarts bezwaar en beroep] zijn goed en inzichtelijk gemotiveerd en bevatten geen tegenstrijdigheden. Niet is gebleken dat zij iets over het hoofd hebben gezien.
6.5.
Voor wat betreft eisers aanvraag in 2018 vindt de rechtbank dat eiser ervoor had moeten zorgen dat [naam verzekeringsarts 3] de beschikking had over de UMCG-brieven uit 2005 en 2006. Hij heeft na het afsluiten van de contacten met het UMCG daar gevraagd of daarover rapporten waren. Hij kreeg te horen dat dit niet zo was. Uit het rapport van [naam verzekeringsarts 3] van
29 september 2018 blijkt dat eiser haar heeft verteld over de contacten met het UMCG; niet blijkt dat hij [naam verzekeringsarts 3] ook heeft verteld dat hij tevergeefs heeft geprobeerd de informatie van het UMCG te krijgen omdat hem daar gezegd werd dat die er niet was. [naam verzekeringsarts 3] noteert dat eiser in 2005 een alcoholprobleem had en toen bij het UMCG is geweest. Hij heeft een aantal gesprekken bij het UCP gehad; men kon echter geen duidelijk probleem vaststellen; volgens het UCP was er geen persoonlijkheidsproblematiek, alleen een alcoholprobleem, zo heeft [naam verzekeringsarts 3] opgeschreven. Uit die gegevens heeft zij kennelijk afgeleid dat zij voldoende informatie had. Zij zag geen reden informatie op te vragen bij de behandelend sector, omdat eiser die al had meegenomen naar het spreekuur.
6.6.
Eiser had geen genoegen moeten nemen met de mededeling dat er van de contacten met het UMCG in 2005 en 2006 geen schriftelijke verslagen waren. Zo had hij bij zijn huisarts kunnen informeren of de brieven van het UMCG uit 2005 en 2006 bij hem lagen. Het is immers gebruikelijk dat zulke brieven naar de huisarts worden gestuurd. Hij had zijn huisarts ook kunnen vragen bij het UMCG navraag te doen, te meer daar die brieven wel degelijk bestonden. Het voelt ongetwijfeld wrang voor eiser dat die brieven van het UMCG na zijn tweede aanvraag uit juli 2024 wel (mede) hebben geleid tot een toekenning van de Wajong-uitkering per 5 juli 2024, maar dat neemt niet weg dat eiser in 2018 onvoldoende pogingen heeft gedaan om aan de relevante informatie te komen. Dat kan niet voor rekening van het Uwv komen, nu eiser een laattijdige aanvraag had gedaan. De conclusie is dat het Uwv terecht eisers aanvraag van 7 juli 2024 met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb heeft afgewezen en de uitkering pas per 5 juli 2024 heeft laten ingaan. Niet gebleken is dat het Uwv, gelet op al het bovenstaande, op 1 juli 2025 een evident onredelijk besluit heeft genomen. Het beroep slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:6:
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2 Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de CRvB van 9 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1796, en de daarin genoemde uitspraak van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872.
2.Zie de uitspraak van de CRvB van 26 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:301.
3.Zie de uitspraak van de CRvB van 17 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1606.