Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Meer specifiek is in geschil of de inspecteur bij de bepaling van de afschrijving de handelsinkoopwaarde van de auto’s juist heeft vastgesteld door geen rekening te houden met waardevermindering door schade en andere factoren.
4. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan eiseres opgelegd
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. De rechtbank stelt voorop dat de taxatiemethode op grond van artikel 10, achtste lid, van de Wet Bpm slechts mag worden toegepast indien, voor zover hier van belang, sprake is van een auto die ten tijde van het belastbare feit meer dan normale gebruiksschade heeft. Onder normale gebruiksschade wordt op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel d, van de Wet Bpm verstaan: slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig. De belastingplichtige die zich beroept op de taxatiemethode moet, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk maken die meebrengen dat die methode in haar geval mag worden toegepast.
De BMW
Standpunten van partijen
6. Eiseres bestrijdt niet dat DRZ terecht is uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 69.669 en een handelsinkoopwaarde vóór eventuele correctie vanwege schade en andere waardeverminderende factoren van € 31.165. Verder heeft eiseres op de zitting haar standpunt dat een (aanvullende) aftrek van € 650 in verband met het verhuurverleden van de BMW moet plaatsvinden, uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.
7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de inspecteur ten onrechte geen bedrag aan meer dan normale gebruiksschade in aanmerking heeft genomen. Deze schade bedraagt volgens eiseres € 5.349. Onder deze schade valt volgens eiseres ook het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket. Daarnaast is eiseres van mening dat een waardevermindering van € 2.500 wegens ‘geen oordeel’ over de kilometerstand mag worden toegepast.
8. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de taxatiemethode niet mag worden gebruikt omdat, kort gezegd, (i) het taxatierapport van eiseres niet voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden en (ii) geen sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De inspecteur heeft verder betwist dat sprake is van waardevermindering als gevolg van het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket of vanwege ‘geen oordeel’ over de kilometerstand.
Vermindering op basis van de taxatiemethode?
9. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de BMW ten tijde van het belastbare feit meer dan normale gebruiksschade had. Dat oordeel baseert de rechtbank op de foto’s in het taxatierapport van eiseres. De beschadigingen die op deze foto’s te zien zijn, moeten naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als gebruiksschade die past bij de leeftijd van de BMW (ongeveer 10 maanden) en de kilometerstand (22.379). Daarbij overweegt de rechtbank dat de BMW weliswaar jong is en weinig kilometers op de teller heeft, maar dat de gestelde beschadigingen zelfs op de sterk ingezoomde foto’s in het taxatierapport maar minimaal zichtbaar zijn. Op de overzichtsfoto’s zijn deze beschadigingen in het geheel niet te zien. De rechtbank kan dan ook niet méér constateren dan enkele krasjes en deukjes die ook bij een jonge auto met ruim 20.000 gereden kilometers, zoals deze BMW, passend zijn. De rechtbank overweegt tot slot dat het ontbreken van een Nederlandstalig (onderhouds)boekenpakket als zodanig niet is aan te merken als schade.
10. Gelet op wat in 9. is overwogen, kan de taxatiemethode niet worden toegepast. Aan de behandeling van de beroepsgrond inzake eventuele waardevermindering wegens ‘geen oordeel’ over de kilometerstand, komt de rechtbank daarom niet toe. Dat geldt ook voor de vraag of het taxatierapport van eiseres voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden. De conclusie is dat de inspecteur de naheffingsaanslag voor wat betreft de BMW niet te hoog heeft vastgesteld, omdat deze naheffingsaanslag voor de berekening van de afschrijving uitgaat van (alleen) de koerslijstwaarde.
De Volkswagen
Standpunten van partijen
11. De rechtbank overweegt vooraf dat het hier gaat om een gewijzigde inschrijving als bedoeld in artikel 13a, vijfde lid, in verbinding met artikel 1, derde lid, van de Wet Bpm. Bepalend voor de heffing van Bpm is dan de registratie als personenauto op 27 januari 2021 (zie 2.7).
12. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat de historische nieuwprijs € 42.272 bedraagt en dat de handelsinkoopwaarde vóór eventuele correctie vanwege schade en andere waardeverminderende factoren op basis van een koerslijst van XRAY € 8.139 bedraagt.
13. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de inspecteur ten onrechte geen bedrag aan meer dan normale gebruiksschade in aanmerking heeft genomen. Volgens eiseres bedraagt deze schade € 7.998. Onder deze schade vallen volgens eiseres ook ‘gebreken’ die op het moment van het belastbare feit nog bestaan omdat de ombouw van de Volkswagen van bestelauto naar personenauto (zie 2.6 en 2.7) op dat moment nog niet was voltooid. Het gaat daarbij onder andere om het ontbreken van een achterbank, veiligheidsgordels en vloerbedekking achter. Ook moesten het tussenschot en de houten laadvloer op dat moment nog worden verwijderd. Daarnaast is eiseres van mening dat een waardevermindering van € 2.500 wegens ‘geen oordeel’ over de kilometerstand mag worden toegepast.
14. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de taxatiemethode niet mag worden gebruikt omdat, kort gezegd, (i) het taxatierapport van eiseres niet voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden en (ii) geen sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De inspecteur heeft verder betwist dat sprake is van waardevermindering vanwege ‘geen oordeel’ over de kilometerstand.
Vermindering op basis van de taxatiemethode?
15. Partijen hebben op de zitting gezamenlijk verklaard dat de in 12. bedoelde koerslijst ziet op de inkoop van Volkswagen Caddy’s die niet (meer) zijn ingericht als bestelauto in de zin van artikel 3, derde lid, van de Wet Bpm en waarvan (dus) de eventuele ombouw naar personenauto (zoals bedoeld in 13.) is voltooid. Gelet op dit uitgangspunt overweegt de rechtbank dat de in 13. bedoelde ‘gebreken’ moeten worden aangemerkt als eigenschappen die de gebruikte personenauto’s waarop de koerslijstwaarde is gebaseerd, niet hebben.De vraag die partijen verdeeld houdt, is of deze gebreken moeten worden aangemerkt als meer dan normale gebruiksschade, dan wel als een andersoortig waardeverminderend kenmerk, niet zijnde schade. Alleen in het eerste geval kunnen deze gebreken op zichzelf het oordeel rechtvaardigen dat de taxatiemethode mag worden toegepast.
16. Met betrekking tot deze vraag stelt de rechtbank voorop dat artikel 2, aanhef en onderdeel d, van de Wet Bpm een definitie van ‘normale gebruiksschade’ bevat, namelijk: ‘slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig’. De Wet Bpm definieert evenwel niet wanneer sprake is van een ‘voertuig met
meer dannormale gebruiksschade’. Ook in de parlementaire toelichting op artikel 10, achtste lid, van de Wet Bpm is het begrip ‘voertuig met meer dan normale gebruiksschade’ niet nader ingevuld. In antwoord op een vraag uit het parlement over dit begrip heeft het kabinet wel verwezen naar de definitie van normale gebruiksschade in artikel 2, aanhef en onderdeel d, van de Wet Bpm.Uit de wetsgeschiedenis kan verder worden afgeleid dat dit begrip in de Wet Bpm is opgenomen om misbruik te bestrijden door voertuigen die geen meer dan normale gebruiksschade hebben, uit te sluiten van de toepassing van de taxatiemethode.
17. Van een ‘voertuig met meer dan normale gebruiksschade’ kan naar het oordeel van de rechtbank op basis van een grammaticale interpretatie alleen sprake zijn als het voertuig schade heeft die is ontstaan door gebruik van dat voertuig als zodanig. Met die uitleg wordt bovendien aangesloten bij de definitie van ‘normale gebruiksschade’ in artikel 2, aanhef en onderdeel d, van de Wet Bpm voor zover die definitie vereist dat de schade is ontstaan door gebruik van het voertuig. Mede gelet op de wetsgeschiedenis gaat de rechtbank ervan uit dat de wetgever eenheid heeft beoogd tussen het begrip ‘gebruiksschade’ in artikel 2, aanhef en onderdeel d, van de Wet Bpm en datzelfde begrip in artikel 10, achtste lid, van de Wet Bpm en slechts onderscheidend heeft willen laten zijn of de gebruiksschade al dan niet past bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig.
18. In het licht van wat in 17. is overwogen, kan het ontbreken van een achterbank, veiligheidsgordels en vloerbedekking achter in de Volkswagen niet worden aangemerkt als meer dan normale gebruiksschade. Hetzelfde geldt voor de aanwezigheid van het tussenschot en de houten laadvloer. Deze gebreken moeten namelijk worden aangemerkt als veranderingen aan het voertuig die tot stand zijn gekomen met de bedoeling dat voertuig tot bestelauto te maken. Deze gebreken zijn niet ontstaan door gebruik van het voertuig van eiseres als zodanig.
19. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat (overigens) sprake is van meer dan normale gebruiksschade in de vorm van lakschade, deuken, overmatige steenslag, krassen of roestvorming. De beschadigingen die op de foto’s in het taxatierapport van eiseres zijn te zien, moeten naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als gebruiksschade die past bij de leeftijd van de Volkswagen (ruim 5,5 jaar) en de kilometerstand (86.740).
20. Omdat er geen sprake is van meer dan normale gebruiksschade, kan de afschrijving niet aan de hand van de taxatiewaarde worden bepaald. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat als er wél sprake zou zijn geweest van meer dan normale gebruiksschade, de onder 18. genoemde kenmerken wellicht wel als waardeverminderende factoren in aanmerking zouden zijn gekomen. Hier wordt echter de drempel voor de toepassing van de taxatiemethode niet gehaald en is er dus ook geen grond om andersoortige waardeverminderingen mee te nemen.
21. Gelet op wat in 18. en 19. is overwogen en omdat tussen partijen niet in geschil is dat de Volkswagen voorkomt op een koerslijst als bedoeld in artikel 10, achtste lid, onderdeel b, van de Wet Bpm, kan de taxatiemethode niet worden toegepast. Aan de behandeling van de beroepsgrond inzake eventuele waardevermindering wegens ‘geen oordeel’ over de kilometerstand, komt de rechtbank daarom niet toe. Dat geldt ook voor de vraag of het taxatierapport van eiseres voldoet aan de daarvoor geldende voorwaarden. De conclusie is dat de inspecteur de naheffingsaanslag ook voor wat betreft de Volkswagen niet te hoog heeft vastgesteld, omdat de naheffingsaanslag voor de berekening van de afschrijving uitgaat van (alleen) de koerslijstwaarde.
Overschrijding van de redelijke termijn
22. Eiseres heeft in de gronden van haar beroep van 10 januari 2024 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting van de zaak in eerste aanleg.
23. De inspecteur heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag ontvangen op 26 maart 2021. Tussen de ontvangst van het bezwaar en de datum van de uitspraak van de rechtbank zijn vier jaar en afgerond elf maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met 35 maanden. Dat is meer dan 2,5 jaar, maar minder dan drie jaar. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 3.000.
24. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 12 december 2023. De bezwaarfase heeft daarmee afgerond 33 maanden geduurd. Rekening houdend met het uitgangspunt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, is de overschrijding van de redelijke termijn voor 27 maanden toe te rekenen aan de inspecteur. De overige 8 maanden zijn toe te rekenen aan de Minister.
25. De rechtbank is tot slot van oordeel dat voor de toekenning van een vergoeding van immateriële schade sprake is van twee zaken die niet samenhangen. De omstandigheid dat sprake is van één naheffingsaanslagbiljet laat naar het oordeel van de rechtbank namelijk onverlet dat sprake is van twee zaken voor de toekenning van een vergoeding van immateriële schade; één zaak per auto. Die zaken zijn door de rechtbank weliswaar gezamenlijk behandeld, maar zij hebben in hoofdzaak niet betrekking op hetzelfde onderwerp of op voorwerpen van geschil die met elkaar samenhangen. Redengevend daarvoor is dat in beide zaken een afzonderlijke beoordeling heeft moeten plaatsvinden van de vraag of de auto’s, gelet op de feiten en omstandigheden van het individuele geval, meer dan normale gebruiksschade hebben. De rechtbank heeft daarbij voor beide auto’s verschillende feitelijke en juridische vragen moeten beantwoorden.
26. De slotsom van het voorgaande is dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 6.000, die voor € 4.628 is toe te rekenen aan de inspecteur en voor € 1.372 aan de Minister. Gelet op de omvang van het bedrag dat door de Minister moet worden vergoed, hoeft hij niet als partij in deze procedure te worden gehoord.