ECLI:NL:RBNNE:2026:2431

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
25/2649
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 2.3.3 Wmo 2015Art. 6:12, eerste lid, AwbArt. 6:12, vierde lid, AwbArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en schadevergoeding afgewezen

Eiseres heeft op 28 juli 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op haar verzoek van 4 oktober 2019, en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend, ruim vijf jaar na de ingebrekestelling van het college op 7 september 2020.

De rechtbank stelt dat het beroep tegen niet tijdig beslissen niet aan een vaste termijn is gebonden, maar dat het onredelijk laat is indien het meer dan een jaar na ingebrekestelling wordt ingediend. Het feit dat eiseres andere procedures afwachtte, rechtvaardigt geen afwijking van dit uitgangspunt. Daarnaast zijn in die procedures al uitspraken gedaan in hoger beroep in januari 2023 en maart 2024.

Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat geen sprake is van onrechtmatig handelen door het college. De besluiten zijn niet vernietigd en er is geen niet tijdig genomen besluit. De aansprakelijkheidsverzekeraar van het college heeft aansprakelijkheid gemotiveerd afgewezen. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af en verklaart het beroep niet-ontvankelijk, waardoor eiseres geen griffierecht of proceskosten vergoed krijgt.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2649

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. K.A. Faber),
en

het college van burgemeester en wethouders van Weststellingwerf, het college

(gemachtigde: J. van Weperen).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het beroep niet tijdig beslissen van eiseres en haar verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

1. Eiseres heeft op 28 juli 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op haar verzoek van 4 oktober 2019. Daarnaast heeft eiseres verzocht om schadevergoeding.
1.1.
Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, verzegeld door haar partner en bijgestaan door haar gemachtigde, en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank oordeelt dat het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is, omdat eiseres het beroepschrift onredelijk laat heeft ingediend. Het verzoek om schadevergoeding wijst de rechtbank af, omdat van onrechtmatig handelen door het college niet gebleken is. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Beroep niet tijdig beslissen
3. Als het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zoals in deze zaak, is het niet aan een termijn gebonden. [1] Het beroep is echter niet-ontvankelijk als het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. [2] Als uitgangspunt kan worden genomen dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend als het is ingediend meer dan een jaar na het moment waarop het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. [3]
3.1.
Op basis van artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 [4] beslist het college in spoedeisende gevallen na een melding onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag van de cliënt.
3.2.
Bij brief van 4 oktober 2019 heeft eiseres het college, onder verwijzing naar artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 en artikel 8 van Pro het EVRM [5] , verzocht en gesommeerd om haar per direct een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in de vorm van een woning. Als deze niet beschikbaar is, dan dient het college het eiseres financieel mogelijk te maken om tijdelijk een passende woning te betrekken. Zij moet namelijk de huidige woning verlaten en bovendien kan in deze woning haar fysieke veiligheid niet meer worden gegarandeerd. Het college heeft op 7 september 2020 een ingebrekestelling van eiseres ontvangen.
3.3.
Het beroep is bijna vijf jaar na de ingebrekestelling ingesteld. Dat eiseres eerst de uitkomst van andere procedures [6] heeft afgewacht, is geen reden om af te wijken van het onder 3 genoemde uitgangspunt. Bovendien is in de door eiseres genoemde procedures al in januari 2023 en maart 2024 in hoger beroep uitspraak gedaan. Het beroep is dus onredelijk laat ingediend.
Schadevergoeding
4. Eiseres voert aan dat sprake is van een onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit, nu het college geweigerd heeft met spoed een verzoek om maatwerkvoorziening te treffen en geweigerd heeft dat verzoek in behandeling te nemen.
4.1.
Daargelaten of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden, is van een onrechtmatig besluit geen sprake. De besluiten van het college in het kader van de Wmo 2015 zijn immers niet vernietigd en van een niet tijdig genomen besluit is geen sprake. Namens het college heeft bovendien zijn aansprakelijkheidsverzekeraar bij brief van 8 december 2020 iedere aansprakelijkheid gemotiveerd van de hand gewezen. Dat betekent dat geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb opgenomen omstandigheden zich voordoet op grond waarvan een veroordeling tot vergoeding van geleden schade kan worden uitgesproken. Het verzoek om schadevergoeding wordt reeds daarom afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Het verzoek om schadevergoeding wijst zij af. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:12, vierde lid, van de Awb.
3.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 2 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:711.
4.Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
5.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 25 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:192, en 21 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:566.