ECLI:NL:CRVB:2023:192

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 januari 2023
Publicatiedatum
27 januari 2023
Zaaknummer
21 / 3823 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag maatwerkvoorziening vervoersvoorziening en woonvoorziening Wmo 2015

Appellante, geboren in 1971 met cardiale en neurologische aandoeningen, vroeg op grond van de Wmo 2015 om een aangepaste bestelauto/bus voor het vervoeren van haar scootmobiel en om aanpassing van haar badkamer. Het college wees deze aanvraag af omdat de scootmobiel voldoende voorziet in haar lokale vervoersbehoefte en voor bovenregionaal vervoer verwees het college naar Valys. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het college niet gehouden is een bovenregionale vervoersvoorziening te verstrekken.

In hoger beroep heeft de Raad zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank. De Raad vond geen aanwijzingen dat het college de medische situatie of vervoersbehoefte van appellante onjuist in kaart had gebracht. Ook was er geen bewijs van een dreigend sociaal isolement. Appellante bracht geen nieuwe gronden aan voor de woonvoorziening die tot onrechtmatigheid van het besluit zouden leiden.

De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 25 januari 2023.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de maatwerkvoorzieningen wordt bevestigd.

Uitspraak

21 3823 WMO15

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 13 september 2021, 20/2041 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Weststellingwerf (college)
Datum uitspraak: 25 januari 2023

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. dr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2022. Namens appellante is mr. Faber verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Weperen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante, geboren in 1971, is onder meer bekend met een cardiale en een neurologische aandoening. Appellante is in het bezit van een scootmobiel en een auto. Appellante heeft op 12 augustus 2019 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening, te weten een vervoersvoorziening in de vorm van een aangepaste bestelauto/bus waarin zij haar scootmobiel kan vervoeren en een woonvoorziening in de vorm van aanpassing van de badkamer.
1.2.
Bij besluit van 15 oktober 2019, gehandhaafd bij besluit van 29 mei 2020 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft zich, voor zover van belang, op het standpunt gesteld dat met het gebruik van de scootmobiel voldoende wordt voorzien in de lokale vervoersbehoefte van appellante. Voor het bovenregionale vervoer heeft het college appellante onder meer verwezen naar Valys. Er wordt geen woonvoorziening verstrekt. Appellante dient haar woning voor 1 november 2019 te verlaten. Niet bekend is waar zij dan woonachtig zal zijn.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover van belang, wat betreft de vervoersvoorziening onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 27 juni 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1961 en ECLI:NL:CRVB:2018:1972), onder meer geoordeeld dat het college op grond van de Wmo 2015 niet gehouden is om appellante een vervoersvoorziening te verstrekken die haar in staat stelt zich bovenregionaal te verplaatsen. Niet is gebleken van een bijzondere situatie op grond waarvan een uitzondering moet worden gemaakt. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in een sociaal isolement zal raken indien zij haar bovenregionale contacten niet door middel van het afleggen van persoonlijke bezoeken kan onderhouden. Bovendien is niet gebleken dat de familie en vrienden van appellante niet ook bij haar op bezoek kunnen komen. Appellante heeft niet onderbouwd waarom vervoer per ‘ziekenhuistaxi’ dan wel vervoer met Valys niet adequaat zou (kunnen) zijn.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat het college op grond van de Wmo 2015 niet gehouden is om appellante een vervoersvoorziening te verstrekken die haar in staat stelt zich bovenregionaal te verplaatsen. De Raad onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. In hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht heeft de Raad geen steun gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Niet gebleken is dat het college de medische situatie van appellante en haar vervoersbehoefte onvoldoende en onjuist in kaart heeft gebracht. Verder volgt uit de in hoger beroep overgelegde (medische) stukken, waaronder de verklaring van een psychiater, niet dat sprake is van een dreigend sociaal isolement.
4.2.
Appellante heeft wat betreft de woonvoorziening in hoger beroep geen gronden aangevoerd die zouden kunnen leiden tot onrechtmatigheid van het bestreden besluit.
4.3.
Uit 4.1 tot en met 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd met enige verbetering van gronden.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en A. Dutrieux en L.Z. Achouak El Idrissi als leden, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2023.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) D. Al-Zubaidi