Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1749

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
C/18/252582 / KG ZA 26-45
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 BWArt. 6:119 BWArt. 19 RvArt. 85 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering inzake geschil aanbestedingsprocedure platformdiensten en technisch applicatiebeheer

De zaak betreft een kort geding tussen CGI Nederland B.V. en de Gemeente Groningen, met Open Line Managed Services B.V. als tussenkomende partij, over een Europese aanbesteding voor platformdiensten en technisch applicatiebeheer. CGI betwist de gunningsbeslissing waarbij Open Line als economisch meest voordelige inschrijver is aangewezen.

CGI vordert onder meer dat de Gemeente de gunningsbeslissing intrekt, de aanbesteding staakt en heraanbesteedt of herbeoordeelt. De Gemeente en Open Line voeren verweer, waarbij zij zich beroepen op het Grossmann-arrest, dat inhoudt dat een inschrijver onregelmatigheden in aanbestedingsstukken tijdig moet aanvoeren.

De voorzieningenrechter oordeelt dat CGI haar recht heeft verwerkt door niet tijdig bezwaar te maken over onduidelijkheden in de aanbestedingsdocumenten, ondanks de Nota’s van Inlichtingen. Er is geen sprake van fundamentele gebreken die een uitzondering op het Grossmann-verweer rechtvaardigen. De beoordeling van de inschrijvingen is transparant en zorgvuldig verlopen, en het verschil in scores is niet overbrugbaar.

De vorderingen van CGI worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten van zowel de Gemeente als Open Line. Het vonnis is gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann en uitgesproken door mr. C.S. Huizinga op 8 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van CGI af en bevestigt de gunningsbeslissing ten gunste van Open Line.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: C/18/252582 / KG ZA 26-45
Vonnis in kort geding van 8 mei 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CGI NEDERLAND B.V.,
te Amstelveen,
eisende partij,
hierna te noemen: CGI,
advocaten: mrs. S.C. Brackmann en P.M. Smid,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE GRONINGEN,
te Groningen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Gemeente,
advocaten: mrs. S.S. Schouten en M.R. Blom
en
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OPEN LINE MANAGED SERVICES B.V.,
gevestigd te Maastricht,
de tussenkomende partij,
hierna te noemen: Open Line,
advocaten mrs. B.C. Lievers en P.F.C. Heemskerk.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de producties van CGI, waaronder producties die niet kenbaar zijn voor Open Line;
- de conclusie van antwoord, waarbij een versie met passages die niet kenbaar zijn voor Open Line;
- de producties van de Gemeente, waaronder productie 10 die niet kenbaar is voor Open Line;
- de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair tot voeging van Open Line; CGI en de Gemeente hebben verklaard daartegen geen bezwaar te hebben; de voorzieningenrechter heeft vervolgens bepaald dat Open Line als tussenkomende partij wordt toegelaten;
- de producties van Open Line;
- de mondelinge behandeling van 21 april 2026;
- de pleitnota van CGI;
- de pleitnota van de Gemeente, waarbij een versie met passages die niet kenbaar zijn voor Open Line;
- de pleitnota van Open Line.

2.De feiten

2.1.
De Gemeente op 15 oktober 2024 op Tenderned een Europese aanbesteding volgens de mededingingsprocedure met onderhandeling gepubliceerd voor de volgende opdracht:
Back-end: Platformdiensten en Technisch Applicatiebeheer.
Voor nadere informatie over de opdracht is daarbij verwezen naar het betreffende hoofdstuk 3 van de Selectieleidraad.
Op 17 april 2025 is de Gunningsleidraad verstrekt aan de geselecteerde gegadigden. De Gunningsleidraad geeft inzicht in de procedure en inhoudelijke aspecten van de onderhandelings- en gunningsfase. De aanbesteding wordt in drie fasen gehouden: een Selectiefase, de Onderhandeling en een Gunningsfase. In de Selectiefase zijn vijf gegadigden geselecteerd, waaronder CGI en Open Line.
2.2.
De Opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI) op basis van beste prijs-kwaliteitverhouding (BPKV), waarbij naast de prijs ook de kwalitatieve aspecten worden beoordeeld.
2.3.
In de Gunningsleidraad is op pagina 24 (paragraaf 5.3.1. en 5.3.2.) de volgende beoordelingsmethodiek opgenomen:
“5.3.1 Beoordelingsmethodiek
Als Gunningscriterium hanteert de Aanbestedende Dienst EMVI op basis van ‘beste prijs-kwaliteitverhouding’ waarbij kwaliteit en prijs als gunningscriteria worden gehanteerd. Onder kwaliteit wordt de wijze van invulling van Kwalitatieve Gunningscriteria verstaan (zie Bijlage D). Onder prijs wordt verstaan de totaalprijs die volgt uit de optelling van de subtotaalposten in het Prijzenblad (zie Bijlage E).
5.3.2
Overzicht gunningscriteria en weging
Voor kwaliteit geldt een weging van 70%, en voor prijs 30%. Deze verhouding is al
verwerkt in de maximaal per criterium te behalen punten, namelijk 700 punten voor
kwaliteit en 300 punten voor prijs. De punten behaald voor de beide gunningscriteria worden bij elkaar opgeteld voor de totaalscore. In totaal kan Inschrijver voor zijn Inschrijving maximaal 1.000 punten behalen.”
2.4.
De inschrijvers hebben een groot aantal vragen gesteld, die de Gemeente in vier Nota’s van Inlichtingen (NvI) heeft beantwoord. In de NvI’s zijn diverse vragen gesteld ten aanzien van de gebruikte definities voor “wijzigingen/changes” en het prijscriterium.
Voor zover thans van belang luiden vraag 391 en 392 in de derde NvI en vraag 438 in de vierde NvI en het antwoord daarop van de Gemeente als volgt.
Vraag 391: In de terugkoppeling & uitkomsten Onderhandelingen geeft u onder
“wijzigingen” op pagina 4 geeft u aan dat “Voor het Prijzenblad worden er andere
definities gehanteerd voor wijzigingen”. Deze definities komen niet overeen met de
definities zoals door u gegeven in Bijlage B-Definities v1.1. Mag inschrijver ervan uitgaan dat de definities van Bijlage B-Definities v1.1 prevaleren? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Antwoord: Nee, daar mag u niet vanuit gaan. Aanbestedende Dienst heeft in het prijzenblad de specificaties aangegeven op basis waarvan Inschrijver wijzigingen dient te beprijzen. De definities in Bijlage B - Definities geven inzicht in de wijze waarop Aanbestedende Dienst wijzigingen in het kader van het Changemanagement proces definieert. Om onduidelijkheid te voorkomen heeft Aanbestedende Dienst in het Prijzenblad de Engelse terminologie gehanteerd en Bijlage B - Definities hierop aangepast.
Vraag 392: In Bijlage B-Definities v1.1 hebt u gedefinieerd wat u onder standaardwijzigingen verstaat en in het Prijzenblad geeft u aan dat alle standaardwijzigingen deel uit moeten maken van hier genoemde prijs. In Gunningsleidraad v1.1 vraagt u ons op pagina 20 van 33 een overzicht van standaardwijzigingen bij te voegen. Kunt u aangeven wat het doel/nut van dit overzicht van standaardwijzigingen is aangezien de definitie reeds bepaalt wat een standaardwijziging is?
Antwoord; In het Prijzenblad geeft Aanbestedende Dienst aan welke wijzigingen tot
standaardwijzigingen behoren. Deze definitie prevaleert gedurende de looptijd van de overeenkomst. Gegadigde wordt gevraagd een overzicht van de standaardwijzigingen van Gegadigde in te dienen om Aanbestedende Dienst inzicht te geven in de best practices van Gegadigde.
Vraag 438: In het antwoord (op vraag 392, opm. vzr.) is gesteld: “Gegadigde wordt gevraagd een overzicht van de standaardwijzigingen van Gegadigde in te dienen om Aanbestedende Dienst inzicht te geven in de best practices van Gegadigde.” Op welke wijze wordt het inzicht in de best practices van gegadigde meegewogen in de beoordeling van zijn inschrijving?
Antwoord: De lijst weegt niet mee in de beoordeling, maar wordt gebruikt om inzicht te verschaffen in standaardwijzigingen. In bijlage B ‘Definities’ staat bij begrip ‘Emergency Change’ beschreven wat een standaardwijziging betreft.
2.5.
De aangepaste definities zijn opgenomen in de aangepaste Bijlage B, versie 1.2 alsmede in het aangepaste Prijzenblad, versie 1.3.
Daarin is – voor zover thans van belang – het volgende opgenomen:
2.6.
Governance wordt gedefinieerd als het geheel van afspraken, structuren en processen waarmee besluitvorming, coördinatie en verantwoording tussen Opdrachtgever en Opdrachtnemer wordt vormgegeven en bewaakt, met als doel een voor alle partijen duidelijke samenwerking en sturing.
Aangaande Governance is in punt SM-20 van het Programma van Eisen (PvE) opgenomen dat de inschrijver zich conformeert aan de werkwijze zoals uiteengezet in Bijlage Q – Governance, in welke bijlage onder meer wordt beschreven aan welke processen en vereisten Governance moet voldoen.
Met betrekking tot de kosten van Governance heeft de Gemeente geen apart prijsonderdeel opgenomen in het Prijzenblad; de inschrijvers worden geacht deze kosten te verwerken in andere kostenposten.
2.7.
Onderdeel van de mededingingsprocedure met onderhandeling zijn onderhandelingen met de inschrijvers. De gemeente Groningen heeft hiervan een verslag opgesteld dat aan alle inschrijvers is verstrekt.
2.8.
CGI heeft op 1 september 2025 tijdig haar inschrijving, het Best and Final Offer, ingediend.
2.9.
De Gemeente heeft de inschrijving beoordeeld en CGI op 19 januari 2026 geïnformeerd over het resultaat daarvan. De inschrijving van CGI is als tweede gerangschikt, en CGI komt daarom in aanmerking voor de wachtkamerovereenkomst. De Gemeente heeft de inschrijving van Open Line als eerste gerangschikt en de opdracht voorlopig aan haar gegund.
CGI heeft een totaalscore van 739,5 punten behaald tegenover 845 punten voor de voorlopige winnaar Open Line (een verschil van 105,5 punten). CGI heeft op kwaliteit 472,5 punten gescoord en op prijs 267 punten. Open Line verkreeg op kwaliteit 545 punten, en op prijs 300 punten.
2.10.
Naar aanleiding van de gunningsbeslissing wenste CGI een bespreking met de Gemeente omdat zij vragen had over de beoordeling en de onderbouwing ervan. Dat gesprek heeft plaatsgevonden op woensdag 4 februari 2026.

3.Het geschil

3.1.
De vordering van CGI strekt ertoe:
Primair:
de Gemeente te gebieden om, uiterlijk twee (2) kalenderdagen na dagtekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen termijn, de in de aanbesteding verzonden voorgenomen gunningsbeslissing d.d. 19 januari 2026 in te trekken en ingetrokken te houden en de Gemeente te verbieden uitvoering te geven aan deze voorgenomen gunningsbeslissing en de Gemeente te verbieden om op basis van de huidige aanbestedingsprocedure een opdracht te gunnen; en
de Gemeente te gebieden om uiterlijk twee (2) kalenderdagen na dagtekening van dit vonnis, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen termijn, de aanbesteding te staken en gestaakt en ingetrokken te houden; én
de Gemeente te gebieden om, als zij nog steeds een overeenkomst wenst te gunnen, over te gaan tot heraanbesteding van die overeenkomst.
Subsidiair:
de Gemeente te gebieden om, uiterlijk twee (2) kalenderdagen na dagtekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen termijn, de in de aanbesteding verzonden voorgenomen gunningsbeslissing d.d. 19 januari 2026 in te trekken en ingetrokken te houden en de Gemeente te verbieden uitvoering te geven aan deze voorgenomen gunningsbeslissing en de Gemeente te verbieden om op basis van de huidige aanbestedingsprocedure een opdracht te gunnen; en
de Gemeente te gebieden om, voor zover zij de Opdracht nog wil gunnen, over te gaan tot herbeoordeling van alle voor de aanbesteding Platformdiensten en TAP tijdige ingediende en geldige inschrijvingen, door een nieuw samen te stellen en onafhankelijke beoordelingscommissie, waarbij de beoordelingscommissie bij haar herbeoordeling in acht neemt de beoordelingsbezwaren en motiveringsbezwaren tegen de voorgenomen gunningsbeslissing (zoals die uiteengezet zijn in de inleidende dagvaarding) waarvan de voorzieningenrechter in dit vonnis heeft geoordeeld dat die bezwaren gegrond zijn, en waarna een nieuwe gunningsbeslissing wordt genomen met daarin wederom een standstilltermijn van 20 dagen.
Meer subsidiair:
de Gemeente te gebieden om, uiterlijk twee (2) kalenderdagen na dagtekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen termijn, de in de aanbesteding verzonden voorgenomen gunningsbeslissing d.d. 19 januari 2026 in te trekken en ingetrokken te houden en de Gemeente te verbieden uitvoering te geven aan deze voorgenomen gunningsbeslissing en de Gemeente te verbieden om op basis van de huidige aanbestedingsprocedure een opdracht te gunnen; en
de Gemeente te gebieden om, uiterlijk twee (2) kalenderdagen na dagtekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen termijn, voor zover zij de opdracht nog wil gunnen, over te gaan tot het verstrekken van een nieuwe motivering van de verzonden gunningsbeslissingen in de aanbesteding, waarbij de beoordelingscommissie bij haar nieuwe motivering in acht neemt de motiveringsbezwaren tegen de voorgenomen gunningsbeslissing (zoals die uiteengezet zijn in de inleidende dagvaarding) waarvan de voorzieningenrechter in dit vonnis heeft geoordeeld dat die bezwaren gegrond zijn, en waarna een nieuwe gunningsbeslissing wordt genomen met daarin wederom een standstilltermijn van 20 dagen.
In alle gevallen:
de in dit petitum verwoorde en op te leggen geboden en verboden op straffe van verbeurte van een eenmalige en in geval van overtreding van het betreffende gebod of verbod direct opeisbare dwangsom ter hoogte van € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro) per dag van overtreding, met een maximum van € 250.000,00 (zegge: tweehonderdvijftigduizend euro) per gedagvaarde partij, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag.
de Gemeente te veroordelen in de kosten van in dit kort geding, waaronder begrepen een redelijke tegemoetkoming in de kosten van rechtsbijstand van CGI, alsmede de nakosten (zonder of met betekening) van dit vonnis, met de aantekening dat als niet binnen veertien (14) kalenderdagen na wijziging van het vonnis aan de proceskostenveroordeling is voldaan daarover de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de vijftiende (15e) kalenderdag na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
De Gemeente heeft verweer gevoerd.
3.3.
De vordering van Open Line strekt ertoe:
IN HET INCIDENT:
toe te staan dat Open Line in het kort geding wordt toegelaten als tussenkomende partij, althans subsidiair in het kort geding wordt toegelaten als voegende partij aan de zijde van de Gemeente, met veroordeling van CGI in de kosten van dit incident, met bepaling dat deze kosten binnen twee weken na dagtekening van dit vonnis moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan CGI zonder nadere aankondiging over die kosten wettelijke rente zal zijn verschuldigd;
IN DE HOOFDZAAK:
1. CGI niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans de vorderingen van CGI af te wijzen; en
2. voorwaardelijk, indien dat door de voorzieningenrechter noodzakelijk wordt geacht voor toelating van Open Line als tussenkomende partij, de Gemeente te gebieden om de Opdracht, indien zij deze nog wenst te vergeven, te gunnen aan Open Line; en
3. CGI in de kosten van deze procedure te veroordelen, waaronder begrepen de nakosten, met bepaling dat deze kosten binnen twee weken na dagtekening van het vonnis aan Open Line moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan CGI zonder nadere aankondiging over die kosten wettelijke rente is verschuldigd.

4.De beoordeling

Het incident ter zake van de interventie
4.1.
De voorzieningenrechter overweegt het volgende terzake van de incidentele conclusie van Open Line tot tussenkomst, subsidiair voeging.
Het kenmerkende verschil tussen voeging en tussenkomst is dat een gevoegde partij geen zelfstandige, eigen vordering jegens de anderen instelt en een tussenkomende partij wel.
Open Line heeft weliswaar een eigen vordering jegens het UMCG ingesteld, doch materieel komt deze naar het oordeel van de voorzieningenrechter neer op afwijzing van de vordering van CGI zodat geen sprake is van een zelfstandige, eigen vordering van Open Line. Derhalve kan Open Line slechts als gevoegde partij worden toegelaten en heeft zij geen belang bij beoordeling van haar vordering.
De voorzieningenrechter overweegt dat een gevoegde partij in eerste aanleg als procespartij wordt aangemerkt en uit dien hoofde in beginsel het recht heeft een rechtsmiddel aan te wenden tegen een in die procedure gewezen vonnis, zodat dit evenmin reden is Open Line toe te laten om tussen te komen.
Het incident ter zake van de producties
4.2.
De voorzieningenrechter heeft ter zitting dienaangaande – zakelijk weergegeven – het volgende overwogen.
4.3.
Nu Open Line als interveniërende partij tot dit kort geding is toegelaten, heeft zij in beginsel op grond van de artikelen 19 en 85 Rv recht op alle gedingstukken die relevant zijn voor de onderhavige beoordeling.
Uit het arrest Varec [1] blijkt echter dat dat recht niet onbeperkt is en dat onder omstandigheden ook overgelegde stukken die vertrouwelijk moeten blijven en niet kunnen worden gedeeld met iedere partij, bij de beoordeling kunnen worden betrokken.
4.4.
Gelet op het toetsingskader van het vorenbedoeld arrest is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door CGI en de Gemeente weggelakte passages in de aan Open Line overgelegde producties niet openbaar behoeven te worden gemaakt en ook niet aan Open Line kenbaar behoeven te worden gemaakt. Het gaat in dit kort geding immers om een niet-afgeronde aanbesteding. Het openbaar maken van de weggelakte passages zouden nadelig kunnen zijn bij de afronding van deze aanbestedingsprocedure en gelet op de wijze waarop Open Line haar zaak bij de voorzieningenrechter heeft doen bepleiten, kan niet worden volgehouden dat de weggelakte passages aan een effectieve rechtsbescherming van Open Line in de weg hebben gestaan. Open Line heeft overigens ook zelf erkend dat stukken die met de inschrijving van CGI verband houden, niet aan haar behoeven te worden geopenbaard. Dit betreft in ieder geval de producties 12a-12c van CGI. Naar het voorlopig oordeel is ook de gunningsbeslissing (productie 13) en de notulen van de onderhandelingen (productie 11) en productie 10 bij de conclusie van antwoord nauw verbonden met de inschrijving zodat ook deze stukken vertrouwelijk behoren te blijven.
4.5.
Ten slotte heeft de voorzieningenrechter overwogen dat, indien tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat nadere kennisneming van enige weggelakte passages en of de overige producties door Open Line toch nodig is, zal worden bezien of en in hoeverre dat – beperkt – kan worden toegestaan, bijvoorbeeld in die zin dat de advocaten van Open Line kennis nemen van de weggelakte dan wel anderszins geredigeerde stukken. Partijen hebben zich akkoord verklaard met deze gang van zaken.
Tijdens de mondelinge behandeling is dat verder niet nodig gebleken.
Inhoudelijk
Grossmann-verweer
4.6.
Het meest verstrekkende verweer van de Gemeente – evenals van Open Line – is dat CGI haar recht heeft verloren c.q. verwerkt om zich alsnog op vermeende onregelmatigheden in de aanbestedingsprocedure te beroepen. Daartoe hebben de Gemeente en Open Line verwezen naar de inmiddels uitgebreide jurisprudentie in het spoor van het arrest Grossmann [2] .
4.7.
In algemene zin overweegt de voorzieningenrechter omtrent de beweerdelijke gebrekkigheid van de door Gemeente verstrekte informatie het volgende.
De aanbestedende dienst dient zich in te spannen om aanbestedingsdocumenten duidelijk, precies en ondubbelzinnig te doen zijn, opdat enerzijds de inschrijvers de draagwijdte kunnen begrijpen en gelijk interpreteren, anderzijds de dienst in staat is de offertes naar behoren te beoordelen; een en ander is verwoord in het Succhi di Frutta-arrest [3] .
Uit het Grossmann-arrest en de mede daarop gebaseerde jurisprudentie volgt evenwel dat in het belang van een snelle en effectieve aanbestedingsprocedure, van een meedingende onderneming een pro-actieve houding mag worden verwacht: als deze inschrijver onduidelijkheden of onvolkomenheden in de aanbestedingsstukken signaleert in een stadium waarin deze nog ongedaan kunnen worden gemaakt, dient hij daarin in dat stadium tegen op te komen. Van een inschrijver mag worden verwacht dat hij bezwaar maakt tegen de procedure of de daarin te hanteren gunningscriteria op een moment dat deze zo nodig nog kunnen worden gecorrigeerd met zo gering mogelijke consequenties voor het verloop van de aanbestedingsprocedure.Met dit een en ander staan aanbestedende dienst en mededingende onderneming in een zodanige relatie met elkaar dat zij beide, in het eigen belang en dat van de ander, voortdurend gespitst moeten zijn op het zo mogelijk verhelpen van onvolkomenheden. De potentiële inschrijver kan niet volstaan met een verwijzing naar de verantwoordelijkheid van de dienst voor goede informatievoorziening; bij die inschrijver berust – uiteraard – niet de verantwoordelijkheid om de aanbestedingsdocumenten op te stellen, maar wel degelijk de mede-verantwoordelijkheid om deze voldoende duidelijk, precies en ondubbelzinnig te doen zijn, op straffe van het later niet meer ontvangen worden in klachten die voortvloeien uit eigen onwetendheid.
4.8.
Weliswaar zijn in diverse vragenrondes – die hebben geleid tot de Nota’s van Inlichtingen 1 tot en met 4 – vragen gesteld aan de Gemeente omtrent het Prijzenblad, de gehanteerde definities van de verschillende typen wijzigingen, Governance en overige gebleken onduidelijkheden, doch waar voor CGI zich kennelijk – gelet ook op de in het onderhavige kort geding aan de orde gestelde punten – nog steeds onduidelijkheden voordeden, ondanks de door de Gemeente gegeven antwoorden, had het op de weg van CGI gelegen in een eerder stadium, te weten vóór de inschrijving, nadere actie te ondernemen.
CGI heeft echter na de Nota’s van Inlichtingen en vóór de inschrijving geen aanvullende vragen gesteld, geen nadere bezwaren aangevoerd en geen kort geding aanhangig gemaakt. CGI heeft gesteld dat zij de kwestie heeft aangeroerd (‘
We moeten dit goed afstemmen’) tijdens de onderhandelingen met de Gemeente. Maar hierin is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen klacht te lezen. Evenmin is gesteld of gebleken dat CGI haar inschrijving onder protest en/of voorbehoud heeft gedaan.
4.9.
Onder deze omstandigheden heeft CGI naar het oordeel van de voorzieningenrechter haar recht verwerkt om over de door haar aangevoerde punten ná inschrijving alsnog te klagen.
Vermeende gebreken
4.10.
Ten aanzien van de Grossmann-doctrine heeft CGI aangevoerd dat in de onderhavige aanbestedingsprocedure sprake is van fundamentele gebreken en dat de Gemeente zich daarom daarop niet kan beroepen.
4.11.
In de jurisprudentie daaromtrent, waarnaar CGI ook heeft verwezen, is overwogen dat bij een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsprocedure een beroep op de Grossmann-doctrine en rechtsverwerking niet kan worden gehonoreerd. De redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen de aanbestedende dienst en de inschrijver op grond van artikel 6:2 BW Pro beheerst, brengt mee dat bij een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsstukken en in de beoordelingssystematiek, zoals hier aan de orde, de aanbestedende dienst zich er niet tegen kan verzetten dat een inschrijver dit gebrek in de procedure voor de rechter aan de orde stelt, ook al heeft deze vóór de inschrijving daarover geen bezwaren geuit. Bij een fundamenteel gebrek mag de aanbestedende dienst er niet op vertrouwen dat de inschrijver door na te laten vóór inschrijving actie te ondernemen, dit aspect niet meer aan de rechter ter beoordeling kan voorleggen [4] .
4.12.
Van een fundamenteel gebrek als hiervoor bedoeld is in het onderhavig geval naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter echter geen sprake.
Ter zake overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
4.13.
De voorzieningenrechter stelt bij deze beoordeling de ratio van elke aanbestedingsprocedure voorop. Die ratio is dat ondernemers met gelijke kansen in kunnen schrijven op overheidsopdrachten, opdat in vrije concurrentie een optimale prijs-kwaliteitverhouding voor de overheid tot stand komt. Alle vragen die rijzen dienen in het licht van deze ratio te worden beantwoord.
4.13.1.
Het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers beoogt de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging tussen de aan de procedure deelnemende ondernemingen te bevorderen en vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van hun voorstel en de beoordeling door de aanbestedende dienst dezelfde kansen krijgen. Het hiermee samenhangende transparantiebeginsel strekt ertoe te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbesteder wordt uitgebannen en impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten voor de inschrijvers op ondubbelzinnige wijze worden geformuleerd, opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier interpreteren, en, anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria welke op de betrokken opdracht van toepassing zijn. Een en ander brengt niet alleen mee dat alle aanbieders gelijk worden behandeld, maar ook dat zij in gelijke mate, mede met het oog op een goede controle achteraf, een duidelijk inzicht moeten hebben in de voorwaarden waaronder de aanbesteding plaats heeft.
4.14.
Een ander uitgangspunt is dat aanbesteders bij hantering van het gunningscriterium
de economisch meest gunstige aanbiedingeen ruime beoordelingsmarge hebben bij de vergelijking van ingediende offertes, mits deze beoordeling is gebaseerd op objectieve en transparante criteria, die expliciet en uitputtend in de aankondiging of het bestek dienen te worden vermeld.
4.15.
Terzake van de door CGI gestelde gebreken in de gevolgde procedure heeft zij onder meer het volgende aangevoerd.
i) Gebrek aan gelijke behandeling en transparantie doordat de inschrijvers hun inschrijvingen niet baseren op dezelfde informatie en uitgangspunten voor wat betreft Standaardwijzigingen en Niet-Standaardwijzigingen.
ii) Gebrek aan gelijke behandeling en transparantie doordat niet is vast te stellen of en hoe de inschrijvers de kosten voor Governance hebben verwerkt in de componenten in het prijzenblad, doordat niet is te controleren of de inschrijvingen voldoen aan de eisen die de Gemeente heeft gesteld aan Governance en doordat niet is te controleren of de inschrijvers de Governance realistisch hebben ingeschat.
iii) Gebrek aan zorgvuldigheid doordat de beoordeling van de inschrijving van CGI zo onzorgvuldig is verlopen dat herstel via herbeoordeling niet aan de orde is.
Ter zake bezwaar i)
4.16.
De in casu opgestelde en in geding zijnde gunningsleidraad en de daarbij behorende bijlages zijn door de Gemeente in het kader van de aanbestedingsprocedure opgesteld. De uitleg daarvan betreft derhalve in beginsel de uitleg van een eenzijdige rechtshandeling (en de daaraan te ontlenen verwachtingen) en ziet derhalve niet op de uitleg van hetgeen partijen zijn overeengekomen. Over het algemeen zullen bij de uitleg van een dergelijke, door één partij opgestelde, tekst de bewoordingen daarvan zwaar wegen, nu er doorgaans geen bijkomende omstandigheden zijn die een van de bewoordingen afwijkende uitleg zullen (kunnen) rechtvaardigen. Dergelijke omstandigheden kunnen immers niet voortvloeien uit een aan de betreffende rechtshandeling voorafgaand onderhandelingsproces (en de daaraan - over en weer - te ontlenen verwachtingen en bedoelingen). Bovendien gaat het hier om een geschrift waarin een regeling is vastgelegd die naar haar aard is bestemd (ook) de rechtspositie te beïnvloeden van derden, die de bedoeling van de opsteller uit dat geschrift niet kunnen kennen en die geen invloed op de inhoud of de formulering daarvan hebben gehad, zodat ook daarom een uitleg naar objectieve maatstaven van de bewoordingen van de aanbestedingsdocumenten het meest voor de hand zal liggen [5] .
4.17.
In de kern komt de klacht van CGI erop neer dat in de aanbestedingsdocumenten de definities voor ‘standaardwijzigingen’ en ‘niet-standaard wijzigingen’ in bijlage B en het prijzenblad niet duidelijk zijn. Het onderscheid tussen beide is relevant, want de inschrijver moet de kosten van de standaardwijziging verwerken in de geoffreerde prijzen en tarieven in het prijzenblad. Volgens CGI is de demarcatie tussen deze begrippen onduidelijk.
4.18.
Met de stelling dat sprake is van een fundamenteel gebrek in de aanbestedingsprocedure in die zin dat onduidelijkheid bestaat over de definitie en begrippen ten aanzien van de verschillende typen wijzigingen/changes miskent CGI naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat in de NvI’s 3 en 4 door de Gemeente nieuwe, verduidelijkende definities/begrippen zijn gebruikt. De Gemeente heeft een Nederlandstalig (standaardwijziging en niet-standaardwijziging) en een Engelstalig begrippenpaar (Standard change en non-standard change) ingevoerd. Na vraag 391 (3e NvI) heeft de Gemeente de definities in het prijzenblad en bijlage B juist op elkaar afgestemd. Uit het prijzenblad en bijlage B blijkt dat een ‘standard change’ betrekking heeft op wijzigingen die doorgevoerd (moeten) worden om de dienstverlening aan het Programma van Eisen te blijven voldoen. Als er al onduidelijkheden bestonden, waardoor verwarring zou kunnen ontstaan over de door de Gemeente gebruikte definities als zojuist bedoeld, zijn deze onduidelijkheden weggenomen in de NvI’s 3 en 4. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat door de Gemeente later aangebrachte verduidelijkingen iedere behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver de juiste draagwijdte van die definities heeft kunnen begrijpen en op dezelfde manier interpreteren en voor iedere inschrijver was op dit punt geheel duidelijk waaraan de inschrijving moest voldoen.
4.19.
In dit opzicht kan naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet worden gesproken van een zodanig gebrek dat (enige van) de beginselen van het aanbestedingsrecht zijn geschonden, laat staan een fundamenteel gebrek.
Ter zake bezwaar ii)
4.20.
Over het vermeende fundamentele gebrek vanwege de omgang met “Governance” overweegt de voorzieningenrechter dat geen rechtsregel bestaat die de Gemeente ertoe verplicht om tijdens een aanbestedingsprocedure een controle uit te voeren op iedere
willekeurige uitvoeringseis van de Opdracht. Evenmin is er een rechtsplicht om te controleren of alle inschrijvers daadwerkelijk alle kosten voor de uitvoering van de Opdracht juist en realistisch in hun prijsaanbieding hebben verdisconteerd. De Gemeente als aanbestedende dienst mag erop vertrouwen dat inschrijvers datgene nakomen waaraan zij zich door inschrijving hebben gecommitteerd: een uitvoering van Governance conform het PvE (in het bijzonder Eis SM-20) en Bijlage Q. CGI heeft nog aangedragen dat zij tijdens de onderhandelingen de Gemeente heeft verzocht de prijssystematiek aan te passen. De voorzieningenrechter is met de Gemeente echter van oordeel dat de Gemeente vrij is om zelf te bepalen hoe zij haar systematiek wenst in te richten.
De stelling van CGI dat de Gemeente het Prijzenblad zo had moeten inrichten dat de Gemeente in staat zou zijn geweest om op het punt van “Governance” te controleren of
inschrijvers alle daaraan verbonden kosten volledig en realistisch in hun prijsaanbieding
hebben verdisconteerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook onjuist.
4.21.
Ook in dit opzicht kan naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet worden gesproken van een zodanig gebrek dat (enige van) de beginselen van het aanbestedingsrecht zijn geschonden, laat staan een fundamenteel gebrek.
Ter zake bezwaar iii)
4.22.
Omtrent de op dit punt door CGI aangevoerde beoordelingsgebreken overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De gemeente heeft alle door CGI aangevoerde beoordelingsgebreken gemotiveerd betwist. Verder heeft de Gemeente ook gesteld dat CGI ook na de door haar gevorderde herbeoordeling het verschil van 105,5 punt in geen geval zou kunnen overbruggen met de maximale 95 punten die ze zou kunnen behalen in het geval dat ze op ieder van 6 planonderdelen (waarop haar 11 klachtonderdelen zien) het maximale cijfer ‘10’ zou scoren, in plaats van het behaalde cijfer.
4.23.
De voorzieningenrechter stelt het volgende bij de beoordeling voorop. Slechts indien zodanige procedurele of inhoudelijke tekortkomingen aan de beoordeling kleven dat de beoordelingscommissie in redelijkheid die beoordeling niet heeft kunnen geven, kan plaats zijn voor ingrijpen door de rechter [6] . Het is in de rechtspraak ook aanvaard dat het puntenverschil overbrugbaar moet zijn, om een voldoende processueel belang bij herbeoordeling te hebben. CGI heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij het zo juist bedoelde verschil zou kunnen overbruggen indien een herbeoordeling plaatsvindt. CGI heeft in dit verband immers niet meer aangedragen dan een suggestie tijdens het pleidooi, dat gelet op de vermeende beoordelingsgebreken in de inschrijving van CGI, aangenomen moet worden dat de inschrijvingen van de overige inschrijvers ook onzorgvuldig beoordeeld zijn door de gemeente. Zij meent dat om deze reden alle inschrijvingen opnieuw beoordeeld zouden moeten worden.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarmee onvoldoende aanleiding is om tot herbeoordeling van alle inschrijvingen over te gaan. De voorzieningenrechter komt daarom tot het voorlopig oordeel dat de inschrijving van Open Line op de juiste wijze is beoordeeld en dat herbeoordeling van de inschrijving van CGI niet tot een andere uitkomst kan leiden.
Gelet daarop heeft CGI geen rechtens te respecteren belang bij de het door CGI opgeworpen bezwaar daaromtrent en bij de door haar gevorderde herbeoordeling [7] .
4.24.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voorshands niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan aannemelijk is geworden dat de gemeente in strijd heeft gehandeld met enige beginselen van aanbestedingsrecht.
Er bestaat dan ook geen grondslag voor toewijzing van de gevraagde voorzieningen.
4.25.
De slotsom is dat de vorderingen van CGI worden afgewezen.
CGI is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Gemeente worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
De proceskosten van Open Line worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
4.26.
De door Open Line gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van CGI af;
5.2.
veroordeelt CGI in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als CGI niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt CGI in de proceskosten, aan de zijde van Open Line tot op heden begroot op € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als CGI niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
veroordeelt CGI tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten van Open Line als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.5.
verklaart dit vonnis wat betreft alle kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann en in het openbaar uitgesproken door mr. C.S. Huizinga op 8 mei 2026.
js (319)

Voetnoten

1.Hof van Justitie EU van 14 februari 2008, ECLI:EU:C:2008:91
2.Hof van Justitie EU 12 februari 2004, ECLI:EU:C:2004:93
3.Hof van Justitie EU 29 april 2004, ECLI:EU:C:2004:236
4.o.m. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1150 en rechtbank Noord-Holland 5 juli 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:6266
5.vgl. (HR 17 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1059; zie ook ECLI:NL:PHR:2016:368
6.vgl. Gerechtshof Den Haag 21 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:823, r.o. 2.4; Rechtbank Overijssel 4 december 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:4542, r.o. 2.42;
7.vgl. rechtbank Den Haag 15 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3915; rechtbank Den Haag 12 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:11408