Conclusie
1.Feiten en procesverloop
request for quotation(hierna: RFQ) uitgeschreven voor het verrichten van onder meer de schoonmaakwerkzaamheden die [eiseres] tot dan toe verrichtte tijdens de FA-checks (het FA-contract) en de FC-checks (het FC-contract). De RFQ was gericht tot Asito, [eiseres], CSU en een vierde bedrijf. In de RFQ zijn de toepasselijke voorwaarden vermeld en de te verrichten werkzaamheden gespecificeerd.
grief Ibestrijdt [eiseres] het oordeel van de rechtbank, kort gezegd, dat KLM zich bij de aanbesteding volledige vrijheid van handelen voorbehield, ook wanneer dat - bij voorbeeld door met slechts één partij te gaan onderhandelen - tot ongelijke behandeling van de inschrijvers zou leiden, en dat KLM ingevolge de bepalingen van de RFQ niet gebonden was aan het gelijkheidsbeginsel of aan het daarmee samenhangende transparantiebeginsel.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1.3is het bedoelde oordeel rechtens onjuist althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof ambtshalve en/of op grond van de door het onderdeel bedoelde stellingen van [eiseres] had moeten vaststellen dat de beslissing van KLM om het FA-contract al aan Asito te gunnen op basis van haar voorlaatste offerte, het einde betekent van de aanbestedingsprocedure, zodat het hof om die reden en gelet op rov. 3.7 van het verwijzingsarrest van de Hoge Raad, kort gezegd dat de RFQ KLM (alleen) tijdens het aanbestedingsproces in beginsel alle vrijheid laat, niet meer kon toekomen aan de beoordeling of het KLM vrijstond tijdens (of liever gezegd: na) de aanbestedingsprocedure alleen Asito gelegenheid te bieden haar offerte aan te passen. Dit oordeel is in elk geval rechtens onjuist althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd, aldus
onderdeel 1.4, omdat het hof [eiseres] niet tot bewijs- of tegenbewijslevering omtrent het einde van de aanbestedingsprocedure heeft toegelaten, dan wel omdat het hof niet heeft uitgelegd waarom het moment van acceptatie door KLM van de finale offerte van Asito wel en de eerdere, door KLM expliciet “gunning” genoemde acceptatiebeslissing van KLM van de voorlaatste offerte van Asito niet als einde van de RFQ althans van de aanbestedingsprocedure heeft te gelden.
tijdens het aanbestedingsprocesonderhandelingen aan te gaan en een overeenkomst te sluiten met een andere inschrijver of een niet bij de inschrijving betrokken partij. (…)” (cursivering toegevoegd; LK).
“tijdens het aanbestedingsproces”dient te worden afgeleid dat met het gestelde besluit tot gunning ook de door de Hoge Raad bedoelde vrijheid van handelen een einde nam.
nadatAsito, daartoe (als enige) in de gelegenheid gesteld, haar prijs nogmaals had aangepast. Zie rov. 1.2 onder (iv) van het bestreden arrest na verwijzing:
in algemene zinheeft vooropgesteld, om daaraan vervolgens toe te voegen dat de aanbestedingsvoorwaarden KLM
“in het bijzonder”toestaan om tijdens het aanbestedingsproces onderhandelingen aan te gaan en een overeenkomst te sluiten met een andere inschrijver of een niet bij de inschrijving betrokken partij.
that KLM is not committed to any course of action as a result of its issuance of this Request for Quotation and/or its receipt of a proposal (…) in response to it”en
“that during the RFQ process KLM may,at any time: Enter into and conclude negotiations with any other supplier for the supply of all or part of KLM’s requirements” en “
Depart from or modify the proposed framework and/or any other procedures in relation to the RFQ” (onderstreping toegevoegd; LK). Weliswaar bevat de geciteerde passage uit de RFQ de zinsnede
“during the RFQ process”(op welke zinsnede de formulering “
tijdens het aanbestedingsproces”in rov. 3.7 van het verwijzingsarrest kennelijk teruggrijpt), maar, nog daargelaten dat
“the RFQ process”niet hetzelfde is als
“het aanbestedingsproces”, is er geen enkele grond om aan te nemen dat
“the RFQ process”reeds met het besluit tot gunning (en vóórdat KLM definitief met een
supplierover het onderwerp van de RFQ zou zijn overeengekomen) zou zijn beëindigd.
nietzouden gelden tijdens de (door de gunningsbeslissing begrensde) aanbestedingsprocedure, maar
weldaarna, en dat [eiseres] daarop gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen.
nadatreeds was besloten haar het FA-contract te gunnen en eerst
nadathet aanbestedingsproces was geëindigd, in de gelegenheid is gesteld haar prijs (in neerwaartse richting) aan synergievoordelen aan te passen, niet zonder meer duidelijk is waarom het gelijkheidsbeginsel en/of het transparantiebeginsel zich in dat geval daartegen zou(den) hebben verzet.
nadatAsito, daartoe als enige in de gelegenheid gesteld, haar prijs nogmaals had verlaagd.
“in beginsel”, ten onrechte niet ambtshalve en/of op grond van stellingen van [eiseres] heeft onderzocht of de RFQ het KLM in het bijzonder toestaat om tijdens het aanbestedingsproces onderhandelingen aan te gaan en een overeenkomst met Asito te sluiten. Volgens
onderdeel 1.7miskent de kennelijke gedachte van het hof dat het enkele door het hof weergegeven voorbehoud meebracht dat KLM na de sluitingsdatum volgens de RFQ met Asito kon onderhandelen en contracteren, de in onderdeel 1.6 weergegeven nuancering door de Hoge Raad, zodat die gedachte rechtens onjuist is, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
in beginselalle vrijheid van handelen, en staan zij haar
in het bijzondertoe om tijdens het aanbestedingsproces onderhandelingen aan te gaan en een overeenkomst te sluiten met een andere inschrijver of een niet bij de inschrijving betrokken partij. (…)” (cursiveringen toegevoegd; LK).
in het bijzondertoestaat om tijdens het aanbestedingsproces onderhandelingen aan te gaan en een overeenkomst te sluiten met (
“een andere inschrijver”zoals) Asito. Dat deze vrijheid KLM op grond van de RFQ toekwam, heeft de Hoge Raad in de geciteerde overweging echter reeds met zoveel woorden - als onontkoombare conclusie - vastgesteld. Niet valt in te zien dat het hof deze vaststelling aan een nadere toetsing had moeten (of zelfs maar had mogen) onderwerpen. Oók uit de in rov. 3.7 van het verwijzingsarrest gebezigde woorden
“in beginsel”, die overigens géén betrekking hebben op de specifiek uit de RFQ voortvloeiende bevoegdheid van KLM om met een andere inschrijver in onderhandeling te treden en te contracteren, maar op het gegeven dat de RFQ aan KLM meer in het algemeen
“alle vrijheid van handelen”laat, vloeit dat laatste niet voort. Voor zover met die woorden al een voorbehoud is bedoeld, betreft dat voorbehoud kennelijk de aan het slot van de eerste alinea van rov. 3.7 bedoelde mogelijkheid dat een beroep op de RFQ in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Daaraan heeft het hof in zijn arrest na verwijzing echter niet voorbijgezien, nu het in rov. 2.4 (waartegen de onderdelen 1.6-1.7 zich niet richten) heeft onderzocht of het beroep van KLM op het voorbehoud in de RFQ naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht.
onderdeel 1.8is het hof bovendien buiten de rechtsstrijd getreden, althans heeft het hof ten onrechte zijn eigen opvatting - dat KLM ook na afloop van de aanbestedingsprocedure althans van de RFQ met Asito mocht onderhandelen en contracteren - als feit bijgebracht, nu KLM in de RFQ letterlijk heeft bepaald (aan welke bepaling KLM krachtens de niet bestreden beslissing van de rechtbank ook zelf is gebonden) dat het door KLM gemaakte, door het hof weergegeven voorbehoud slechts geldt gedurende de RFQ en dus niet ook daarna, althans heeft het hof zijn oordeel niet naar behoren gemotiveerd.
“the RFQ process”) reeds was geëindigd door de gunningsbeslissing op basis van de voorlaatste offerte. Van een dergelijke beëindiging is het hof echter niet uitgaan en kon (en mocht) het ook niet uitgaan, nu het hof als vaststaand heeft aangenomen (en als verwijzingsrechter ook als vaststaand heeft moeten aannemen) dat KLM eerst heeft besloten het FA-contract aan Asito te gunnen,
nadatAsito haar prijs wederom had aangepast. De klacht dat het hof zou hebben beslist dat KLM ook na afloop van de aanbestedingsprocedure c.q.
“the RFQ process”met Asito mocht onderhandelen en contracteren, mist dan ook feitelijke grondslag. Ook
onderdeel 1.8dient derhalve te falen.
“of de (potentiële) aanbieders aan de aanbesteding redelijkerwijs de verwachting kunnen ontlenen dat de aanbesteder de beginselen van gelijkheid en transparantie in acht zal nemen, zodat hij hen daarin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag teleurstellen (…).”Of in een concreet geval een dergelijke verwachting is gewekt, is volgens de Hoge Raad vervolgens afhankelijk
“van de aanbestedingsvoorwaarden en van de overige omstandigheden van het geval, waaronder de hoedanigheid van de betrokken partijen.”Volgens rov. 3.7 van het verwijzingsarrest is de gelding van de bedoelde beginselen “
onder meer afhankelijk (…) van de aanbestedingsvoorwaarden en de verwachtingen die de (potentiële) aanbieders op basis daarvan redelijkerwijs mochten hebben.”Vervolgens heeft de Hoge Raad in diezelfde rechtsoverweging benadrukt dat het partijen, gelet op de contractsvrijheid,
“in een aanbesteding door een private (rechts)persoon (…) in beginsel vrijstaat om in de aanbestedingsvoorwaarden de toepasselijkheid van het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel uit te sluiten.”Uit rov. 3.7, tweede alinea, van het verwijzingsarrest blijkt, dat naar het oordeel van de Hoge Raad in het onderhavige geval van een zodanige uitsluiting sprake is.
indiende aanbestedingsvoorwaarden de toepassing van de beginselen van gelijkheid en transparantie voor de (potentiële) aanbieders voldoende duidelijk uitsluiten, zulks in de regel ook in de weg zal staan aan de redelijkerwijs te koesteren verwachting van (potentiële) aanbieders dat de aanbesteder die beginselen in acht zal nemen. Volgens de Hoge Raad zijn immers bepalend
“de verwachtingen die de (potentiële) aanbiedersop basis daarvan(de aanbestedingsvoorwaarden; LK)
redelijkerwijs mochten hebben”(onderstreping toegevoegd; LK).
“Het moge zo zijn dat [eiseres] in het onderhavige geval de opdracht uiteindelijk niet gekregen heeft, maar het moet ervoor gehouden wordendat zij daarmee rekening had moeten houden na kennisneming van de RFQ.”(onderstreping toegevoegd; LK).
onderdeel 1.11aan het voorgaande toe, dat kennisname van de letterlijke tekst van de RFQ volstaat om de RFQ te kunnen uitleggen, moet stranden op de door de Hoge Raad ontwikkelde Haviltex-formule, die ziet op de wijze waarop contracten moeten worden uitgelegd en/of op de omstandigheid dat KLM heeft betwist [12] in strijd met het gunningscriterium te hebben gehandeld, uit welke betwisting
per sevoortvloeit, zoals het hof althans op voorhand had behoren te onderkennen, dat KLM zich - terecht - aan dat criterium gebonden achtte. In elk geval heeft het hof volgens
onderdeel 1.12miskend dat het, omdat het [eiseres] zonder meer de letterlijke tekst van de RFQ heeft tegengeworpen, gehouden was de letterlijke tekst van het gunningscriterium, welke tekst onmiskenbaar tot uitdrukking brengt dat het contract hoe dan ook wordt gegund op basis van “
price and other performance and quality requirements stipulated in the RFQ”, eveneens zonder meer aan [eiseres] toe te geven. Althans heeft het hof, aldus
onderdeel 1.13, ten onrechte de essentiële stelling van [eiseres] ter zake het direct hiervoor gestelde (memorie van grieven onder 36) niet besproken.
eenzijdigerechtshandeling (en de daaraan te ontlenen verwachtingen) betreft, en derhalve niet ziet op de uitleg van hetgeen partijen zijn
overeengekomen, waarop de uitlegregels van het
Haviltex-arrest [13] en de daarop voortbouwende jurisprudentie zien. Weliswaar is daarmee niet gezegd dat de letterlijke tekst van een dergelijke eenzijdige rechtshandeling steeds doorslaggevend zal zijn. Over het algemeen zullen bij de uitleg van een dergelijke, door één partij opgestelde, tekst de letterlijke bewoordingen daarvan echter zwaar wegen, nu er doorgaans geen bijkomende omstandigheden zijn die een van de letterlijke bewoordingen afwijkende uitleg zullen (kunnen) rechtvaardigen. Dergelijke omstandigheden kunnen immers niet voortvloeien uit een aan de betreffende rechtshandeling voorafgaand onderhandelingsproces (en daaraan - over en weer - te ontlenen verwachtingen en bedoelingen). Bovendien gaat het hier om een geschrift waarin een regeling is vastgelegd die naar haar aard is bestemd (ook) de rechtspositie te beïnvloeden van derden, die de bedoeling van de opsteller uit dat geschrift niet kunnen kennen en die geen invloed op de inhoud of de formulering daarvan hebben gehad, zodat ook daarom een uitleg naar objectieve maatstaven, zoals de bewoordingen van de regeling, gelezen in het licht van de gehele tekst daarvan, het meest voor de hand zal liggen [14] . Bij een in een dergelijke rechtshandeling opgenomen ondubbelzinnig voorbehoud, zoals hier aan de orde, zal derhalve doorgaans uit de bewoordingen daarvan moeten worden afgeleid welke verwachtingen (potentiële) aanbieders op basis daarvan redelijkerwijs mochten hebben [15] . Daarbij komt dat [eiseres] in het onderhavige geval in cassatie slechts (in hoger beroep aangevoerde) omstandigheden heeft aangehaald die zien op de overige tekst van de RFQ - en dus niet tot een andere dan een tekstuele uitleg kunnen leiden - of op het verdere verloop van het aanbestedingsproces. Er worden geen omstandigheden genoemd die zien op gedragingen van KLM ten tijde van het uitschrijven van de RFQ en die de verwachtingen die de inschrijvers op basis van de bewoordingen van de RFQ bij de aanvang van het aanbestedingsproces redelijkerwijs mochten hebben, zouden kunnen hebben beïnvloed. Hiervóór (onder 2.19, slot) kwam reeds aan de orde dat [eiseres] met betrekking tot het verdere verloop van het aanbestedingsproces evenmin omstandigheden heeft genoemd, op grond waarvan zij redelijkerwijs de verwachting mocht hebben dat KLM (in afwijking van de RFQ) haar vrijheid van handelen zou hebben opgegeven.
willbe based…”, en niet “may be based” of “might be based”.”
“(…) will be based (…)”) was herhaald, dwong het hof niet tot een nadere motivering van zijn oordeel dat de in de RFQ aan KLM geboden vrijheid van handelen, naar de inschrijvers hebben moeten begrijpen, mede impliceerde dat het KLM vrijstond de opdracht te gunnen zonder het gunningscriterium dat in de RFQ was opgenomen, in acht te nemen.
onderdeel 2.1aan met een algemene, niet verder uitgewerkte rechts- en motiveringsklacht, die kennelijk slechts de inleiding vormt op de uitwerking van die klacht in de verdere onderdelen van het middel.
nietertoe kan leiden dat een beroep van de aanbesteder op het expliciet gemaakte voorbehoud naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer kan worden aanvaard en dat [eiseres] zulke bijkomende, bijzondere omstandigheden niet aan haar beroep op de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid ten grondslag had gelegd. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Zoals hiervóór (onder 2.19, slot) reeds aan de orde kwam, kan niet worden aanvaard dat de aanbesteder een beroep op het voorbehoud om
“at any time”van de voorziene procedures en criteria af te wijken, niet langer zou vrijstaan, op de enkele grond dat hij niet aanstonds maar eerst na enige tijd van die procedures en criteria is afgeweken.
Onderdeel 2.2mist derhalve doel.
onderdeel 2.2gestelde klachten ook de beschouwingen van het hof treffen omtrent de argumenten van [eiseres] ter zake van haar verloren gegane investering in tijd en geld, met dit verschil dat dit oordeel van het hof eens te meer onbegrijpelijk of onvoldoende is gemotiveerd omdat het hof enerzijds - en met recht - begrip opbrengt voor de door [eiseres] geuite teleurstelling ten aanzien van KLM, maar anderzijds onvoldoende oog ervoor heeft gehad dat die teleurstelling voortkomt, zo had het hof zich moeten realiseren, uit de in dit geding bestreden handelwijze van KLM, namelijk door Asito wel en [eiseres] na de sluitingsdatum van de RFQ niet nog een nieuwe kans te bieden.
“De juist hiervoor geformuleerde klachten treffen ook de beschouwingen (…) omtrent de argumenten van [eiseres] terzake haar verloren gegane investering in tijd en geld, met dit verschil dat dit oordeel van het gerechtshof eens te meer onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is (…)”),moet het om dezelfde reden als onderdeel 2.2 falen.
onderdeel 2.5heeft het hof ten onrechte nagelaten in dit verband de niet-prijsgegeven stelling van [eiseres] (conclusie van repliek onder 22-23) te beoordelen met als inhoud dat KLM niet is ingegaan op de suggestie van [eiseres] om samen te spreken over efficiencyvoordelen aan de zijde van [eiseres] en dat dit stilzwijgen van KLM de handelwijze die KLM gevolgd is - door, in de woorden van de rechtbank, [eiseres] en Asito niet gelijk te behandelen - des te kwalijker maakt. Door bespreking van dit argument na te laten, heeft het hof het recht geschonden indien het van mening was dat dit argument niet tot de in aanmerking te nemen feiten en omstandigheden behoort, nu de rechter in het kader van het hier aan de orde zijnde beginsel van redelijkheid en billijkheid alle relevante omstandigheden in ogenschouw behoort te nemen. Voor zover het hof heeft gemeend dat dit stilzwijgen van KLM rechtens niet relevant is, heeft het hof, aldus
onderdeel 2.6, zijn oordeel ten onrechte niet gemotiveerd zodat dit onbegrijpelijk is. Ingeval het hof van oordeel was dat de door [eiseres] met verwijzing naar een e-mailbericht van 7 september 2006 aangevoerde feiten zich niet hebben voorgedaan, heeft het hof [eiseres] ten onrechte niet, ook gelet op het steeds opnieuw herhaalde bewijsaanbod van [eiseres], tot bewijslevering toegelaten. Ingeval het hof gelet op rov. 5 van oordeel was dat het bewijsaanbod van [eiseres] ook op dit punt onvoldoende gespecificeerd is, is het hof gelet op de genoemde verwijzing naar een e-mailbericht in samenhang te bezien met het aan het einde van elk processtuk van [eiseres] opgenomen bewijsaanbod, van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan ten aanzien van de formulering van een bewijsaanbod, althans heeft het hof dat oordeel ten onrechte niet naar behoren gemotiveerd.
“Gaarne willen wij bovenstaande indien wenselijk mondeling toelichten.”).
surveygestelde vraag heeft aangegeven dat een “package-split” geen enkele invloed op de door haar geoffreerde prijzen zou hebben, in haar biedingen kennelijk geen gebruik heeft gemaakt van synergievoordelen die zij wel degelijk op het gehele pakket had kunnen realiseren en dat zij zich bij die stand van zaken niet erover kan beklagen dat zij geen kans zou hebben gehad eventuele synergievoordelen in haar offerte te verwerken [18] .
“Ten aanzien van de prijs staat niet ter discussie dat [eiseres] de beste aanbieding had gedaan,voordat KLM buiten de andere inschrijvers om Asito de gelegenheid gaf haar prijs nog verder aan te passen.”; onderstreping toegevoegd; LK) en dat het hof Amsterdam vervolgens van het welslagen van grief II afhankelijk heeft gesteld of [eiseres] al dan niet als gevolg van het door het hof reeds (in het kader van grief I) in strijd met het gelijkheidsbeginsel en transparantiebeginsel bevonden handelen van KLM is benadeeld.