Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1693

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
11975210 BU VERZ 25-2413
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:24 AwbArt. 1:3 AwbArt. 1:1 AwbWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen boete parkeren zonder juiste vergunning op parkeerplaats vergunninghouders

Aan betrokkene is een boete opgelegd wegens parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders zonder de juiste vergunning, vastgesteld op 17 december 2024 in Sneek. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, dat door de officier van justitie ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De kantonrechter oordeelde dat de beroepsgronden uit het pro forma-beroepschrift onvoldoende waren om twijfel te zaaien over de overtreding, de bevoegdheid van de verbalisant en de wettigheid van het bewijs. De bebording (bord E9) was op de dag van de overtreding aanwezig en zichtbaar, zoals bevestigd door de verbalisant onder ambtsbelofte.

Er waren geen gronden voor matiging van de boete. Betrokkene stelde dat de officier van justitie een dwangsom had verbeurd wegens overschrijding van de beslistermijn, maar de kantonrechter stelde vast dat de beslistermijn rechtsgeldig was verlengd met een besluit van 28 mei 2025 en dat de ingebrekestelling prematuur was. Hierdoor was geen dwangsom verschuldigd.

De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door kantonrechter P.G. Wijtsma op 21 april 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de boete wordt ongegrond verklaard en de boete blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 271097398
zaaknummer: 11975210 BU VERZ 25-2413

uitspraak van de kantonrechter van 21 april 2026

in de zaak van

[betrokkene] (de betrokkene),

die woont in [woonplaats] ,
gemachtigde: Verkeersboete.nl.

Inleiding

1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: R397I – ‘parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders zonder (de juiste) vergunning (bord E9)’, verricht op 17 december 2024, om 10:26 uur, op de Iepenlaan in Sneek, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten).
1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De kantonrechter heeft het beroep op 7 april 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: namens de gemachtigde mr. O. van der Meer en als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. R.A. van der Velde.

Beoordeling door de kantonrechter

2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is en zal hierna uitleggen waarom dat het geval is.
Over de algemene beroepsgronden uit het pro forma-beroepschrift
3. De gemachtigde betwist namens betrokkene de gedraging, de bevoegdheid van de verbalisant en de wettigheid van de gebruikte bewijsmiddelen.
3.1.
De enkele, niet-onderbouwde betwisting van de gedraging, de bevoegdheid van de verbalisant en de wettigheid van de gebruikte bewijsmiddelen, is naar oordeel van de kantonrechter onvoldoende om te leiden tot twijfel aan de gegevens in het zaakoverzicht.
De bebording was in orde
4. De gemachtigde stelt in het beroepschrift dat betrokkene op de rijroute (Oppenhuizenweg – Oosterkade – Leeuwarderweg – Iepenlaan) geen bord E9 is gepasseerd. Uit het dossier blijkt niet dat (kort) voor aanvang van de controle de bebording is gecontroleerd en het blijkt onvoldoende waar een bord E9 zou hebben gestaan. Op de zitting heeft de gemachtigde aangevoerd dat de verklaring uit het aanvullend proces-verbaal geen waarneming is, maar een weergave van wat de verbalisant kennelijk ambtshalve bekend is.
4.1.
De vertegenwoordigster legt de verklaring van de verbalisant anders uit en zegt dat de verbalisant onder punt twee van het eerste aanvullend proces-verbaal van 10 januari 2025 uitdrukkelijk verklaart dat het bord aanwezig was op de pleegdatum. Zij twijfelt daarom niet aan de juistheid van de bebording.
4.2.
De kantonrechter constateert dat de verbalisant in het tweede aanvullend proces-verbaal van 17 mei 2025 op de vraag of hij op de dag van de constatering vooraf en/of na de controle gecontroleerd heeft of de bebording zichtbaar aanwezig was op de aangegeven rijroute uitdrukkelijk en onder ambtsbelofte antwoordt: “ja”
.Op basis van deze verklaring oordeelt de kantonrechter dat de bebording in orde was en dat de verkeersovertreding kan worden vastgesteld.
Geen reden voor matiging van de boete
5. Er zijn geen gronden aangevoerd die kunnen leiden tot matiging van de boete.
De officier van justitie heeft geen dwangsom verbeurd
6. De gemachtigde stelt dat de officier van justitie een dwangsom heeft verbeurd, omdat te laat op het administratief beroep is beslist en de beslissing niet binnen veertien dagen na de ingebrekestelling is genomen.
6.1.
De officier van justitie heeft het verzoek om vaststelling van een dwangsom afgewezen, omdat de beslistermijn is verlengd en de ingebrekestelling daardoor prematuur was.
Is de verlengingsbrief een besluit?
7. Als eerste is van belang of de verlenging van de beslistermijn ex artikel 7:24, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 28 mei 2025 een besluit is.
7.1.
Een besluit is volgens artikel 1:3, eerste lid, van de Awb een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
7.2.
De verlengingsbrief is op schrift gesteld en afkomstig van de officier van justitie, die is aan te merken als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van Pro de Awb. Zoals te lezen is in de noot bij de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) die gemachtigde heeft aangehaald, heeft een verdagingsbeslissing een publiekrechtelijk rechtsgevolg, aangezien het bestuursorgaan meer tijd krijgt voor het nemen van een inhoudelijke beslissing. [1] De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) overweegt ook: “Voordat het bestuursorgaan een besluit tot verlenging neemt (…).” [2] Hieruit concludeert de kantonrechter dat een beslissing tot verlenging, een besluit is.
Is de beslistermijn verlengd?
8. Vervolgens is de vraag of dit besluit deugdelijk gemotiveerd is, zodat de beslistermijn op administratief beroep is verlengd.
8.1.
De vertegenwoordigster voert aan dat dit het geval is. Volgens haar moet op het gebied van de motiveringsplicht een onderscheid gemaakt worden tussen algemeen bestuursrecht en de Wahv, aangezien de Wahv een hybride is tussen bestuursrecht en strafrecht. Daarom kan worden volstaan met een summiere motivering. De vertegenwoordigster zegt verder dat de gemachtigde had kunnen weten dat de beslistermijn verdaagd zou worden, aangezien de rijroute pas op de hoorzitting is aangeleverd. Verder stelt zij dat de betrokkene in Mulderzaken niet in zijn belangen wordt geschaad door verdaging van de beslistermijn, zoals dat wel het geval kan zijn in zuiver bestuursrechtelijke zaken.
8.2.
De gemachtigde stelt dat het besluit niet of onvoldoende is gemotiveerd. Hij volgt de vertegenwoordigster niet in haar stelling dat de motiveringsplicht anders uitgelegd moet worden in de Wahv, omdat de Awb ook op die wet van toepassing is en dus dezelfde eisen gelden als in het algemeen bestuursrecht. Ook is de gemachtigde het niet eens met de stelling dat de betrokkene niet in zijn belangen wordt geschaad door verdaging. Volgens hem hangt de boete de betrokkene boven het hoofd. Hoe langer het duurt voor er een beslissing is genomen, hoe langer het mentale ongemak duurt. De motiveringsplicht geldt daarom nog steeds, zij het misschien meer summier.
8.3.
De kantonrechter overweegt eerst dat de motiveringsplicht niet anders uitgelegd moet worden in Wahv-zaken dan in andere bestuursrechtelijke kwesties. De Wahv volgt op dit punt inderdaad de procedurele regels van de Awb, dus dient een besluit te voldoen aan de eisen die deze wet stelt.
8.3.1.
Hij overweegt verder dat de officier van justitie voldoende heeft gemotiveerd waarom de beslistermijn is verdaagd. In het besluit staat: “Als het kan nemen wij binnen zestien weken een beslissing, maar in deze zaak lukt dat helaas niet. Volgens de wet mogen we de tijd om te beslissen met tien weken verlengen. Met deze brief laten wij u weten dat we van deze mogelijkheid gebruik maken.” Hoewel deze motivering inderdaad summier is, valt hier voor de betrokkene – en zeker voor de professionele gemachtigde die betrokkene bijstaat – voldoende uit op te maken waarom de beslistermijn verlengd is. Er staat ook onderaan de brief vermeld hoe de betrokkene en/of gemachtigde contact kan opnemen met de CVOM bij vragen. Gelet op de aard van de beroepsprocedure van de Wahv en het grote volume aan zaken dat de CVOM moet behandelen, kan een uitgebreidere motivering niet verlangd worden.
8.3.2.
Daarmee komt de kantonrechter tot de conclusie dat de beslistermijn verlengd is met het besluit van 28 mei 2025.
Heeft de officier van justitie een dwangsom verbeurd?
9. Dan de vraag of de officier van justitie een dwangsom heeft verbeurd.
9.1.
In het beroepschrift schrijft de gemachtigde dat de officier van justitie op 19 augustus 2025 in gebreke is gesteld. De beslissing is verzonden op 26 september 2025. Het verzuim waar de officier van justitie naar verwijst (het ontbreken van de aanvullende beroepsgronden), is hersteld op de eerste hoorzitting van 30 april 2025. Op 11 juli 2025 had beslist moeten worden. Daarom is volgens de gemachtigde een dwangsom verbeurd over de periode van 3 september 2025 tot en met 25 september 2025.
9.2.
De vertegenwoordigster geeft aan dat de uiterste beroepsdatum 13 februari 2025 was. Het beroep is ingesteld op 10 januari 2025. De beslistermijn liep tot 5 juni 2025. Op 7 maart 2025 is een mogelijkheid tot herstel van verzuim geboden, wat de beslistermijn heeft opgeschort met vier weken. Op 30 april 2025 is het verzuim hersteld. De beslistermijn is op 28 mei 2025 verdaagd met tien weken. Daardoor komt de vertegenwoordigster op een uiterste beslisdatum van 11 september 2025. Volgens haar was de ingebrekestelling, die op 26 augustus 2025 is ontvangen, daarom prematuur en is geen dwangsom verbeurd.
9.3.
De kantonrechter overweegt als volgt.
9.3.1.
Betrokkene is op 10 januari 2025 in beroep gegaan. De uiterste beroepsdatum was 13 februari 2025. Vanaf 14 februari 2025 had de officier van justitie zestien weken om te beslissen, dus tot en met 6 juni 2025. [3] Op 28 mei 2025 is de beslistermijn met tien weken verlengd ex artikel 7:24, derde lid, van de Awb., zoals onder overwegingen 7 t/m 8.3.2 is geschreven. De uiterste beslisdatum is daardoor 15 augustus 2025 geworden.
9.3.2.
De gemachtigde heeft verzocht om een termijn voor het indienen van nadere beroepsgronden. In de uitnodiging voor de hoorzitting van 30 april 2025, gedateerd op 7 maart 2025, is hem een termijn geboden om de gronden aan te vullen. Dit heeft de beslistermijn opgeschort tot de dag waarop het verzuim is hersteld. [4] Dat is gebeurd op de hoorzitting van 30 april 2025. Vanaf die datum begon de beslistermijn weer te lopen.
9.3.3.
De kantonrechter merkt op dat de vertegenwoordigster een opschorting van vier weken heeft aangehouden, maar dat is niet juist. De termijn van vier weken geldt volgens de brief van 7 maart 2025 namelijk alleen in geval van schriftelijke aanvulling van de beroepsgronden, terwijl in dit geval de gronden op de hoorzitting zijn aangevuld.
9.3.4.
Tussen het bieden van de termijn op 7 maart 2025 en het herstel van het verzuim op 30 april 2025 zitten 55 dagen. De beslistermijn is dus met 55 dagen verschoven van 15 augustus 2025 naar 9 oktober 2025.
9.3.5.
Dit houdt in dat de ingebrekestelling die op 18 augustus 2025 is verzonden en blijkens het stempel van de CVOM op 19 augustus 2025 daar is ontvangen, prematuur was. Daarom heeft de officier van justitie geen dwangsom verbeurd.

Conclusie en gevolgen

10. In deze uitspraak heeft de kantonrechter inhoudelijk als eerste geoordeeld dat de gronden uit het pro forma-beroepschrift onvoldoende zijn om te leiden tot twijfel aan de gegevens in het zaakoverzicht. Vervolgens heeft hij vastgesteld dat de bebording aanwezig was op de aangegeven rijroute op de dag van de geconstateerde overtreding. De verkeersovertreding staat daarom vast. Er zijn geen gronden aangevoerd die leiden tot matiging van de boete, die terecht is opgelegd.
10.1.
Over de dwangsom is bepaald dat de verdagingsbrief een besluit in de zin van de Awb is, dat voldoende gemotiveerd is. Door het verzoek om aanvulling van de beroepsgronden en het verlenen van een termijn daarvoor, is de beslistermijn opgeschort met 55 dagen tot 9 oktober 2025. Dit brengt mee dat de ingebrekestelling van 19 augustus 2025 prematuur was en dus heeft de officier van justitie geen dwangsom verbeurd.
10.2.
Het voorgaande betekent dat de kantonrechter het beroep ongegrond zal verklaren. Daarom zal hij het verzoek om proceskostenvergoeding afwijzen.

Beslissing

De kantonrechter:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter, in aanwezigheid van
D.W. Veenstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.
griffier kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.

Voetnoten

1.CRvB 14 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1822, AB 2014/333, m.nt. L.M. Koenraad.
2.ABRvS 19 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2015:2653.
3.Artikel 7:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Hof Arnhem-Leeuwarden 13 februari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:855.