Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:855

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
Wahv 200.356.715/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:17 AwbArt. 6:6 AwbArt. 7:24 AwbWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen toekenning dwangsom wegens overschrijding beslistermijn bestuursrechtelijke procedure

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie en kreeg van de kantonrechter gelijk met toekenning van een dwangsom wegens overschrijding van de beslistermijn. De officier van justitie ging in hoger beroep tegen deze beslissing en stelde dat de beslistermijn was opgeschort vanwege een door de gemachtigde verzocht termijn voor het aanvullen van de beroepsgronden.

Het hof oordeelde dat artikel 7:24, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inderdaad opschorting van de beslistermijn mogelijk maakt wanneer een termijn is verleend om de beroepsgronden aan te vullen. De uitnodiging voor de hoorzitting en de mogelijkheid om de gronden mondeling aan te vullen deden hieraan niet af. Hierdoor was de ingebrekestelling prematuur en was de officier van justitie geen dwangsom verschuldigd.

Het hof vernietigde daarom het vonnis van de kantonrechter voor zover het een dwangsom toekende en wees tevens het verzoek om proceskostenvergoeding af. De beslissing van de officier van justitie bleef daarmee in stand.

Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt de toekenning van de dwangsom en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.356.715/01
CJIB-nummer
: 260099842
Uitspraak d.d.
: 13 februari 2026
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 26 mei 2025, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard en die beslissing vernietigd. De kantonrechter heeft verder bepaald dat de officier van justitie aan de betrokkene een dwangsom is verschuldigd van € 1.442,-.

Het verloop van de procedure

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De gemachtigde van de betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Daarin is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Daarnaast is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal, die in hoger beroep in de plaats treedt van de officier van justitie, heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 8 januari 2026 heeft de gemachtigde van de betrokkene het hof bericht dat het zittingsverzoek is ingetrokken.

De beoordeling

1. De bezwaren van de officier van justitie richten zich tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij is bepaald dat een dwangsom is verschuldigd. Het geschil in hoger beroep is hiertoe beperkt. Volgens de officier van justitie heeft de kantonrechter ten onrechte geen rekening gehouden met de opschortende werking van artikel 7:24, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In voormeld artikel staat namelijk een uitzondering opgenomen, te weten het geval waarin sprake is van verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van Pro de Awb. De officier van justitie verwijst hierbij naar een arrest van dit hof van 28 oktober 2020. [1] Het beroepschrift van de gemachtigde tegen de inleidende beschikking bevat enerzijds (summiere en in algemene bewoordingen gesteld) gronden, terwijl de gemachtigde anderzijds heeft gesteld dat het nog niet mogelijk is om de gronden van het beroep te formuleren en daarom wordt verzocht om een termijn te verlenen voor het aanvullen van de gronden. Op basis van de stukken in het dossier is de officier van justitie van mening dat de door de gemachtigde verzonden ingebrekestelling prematuur is en dat geen dwangsom is verschuldigd. Er is ten onrechte een dwangsom uitgekeerd. De beslissing van de kantonrechter kan dan ook niet in stand blijven.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat het oordeel van de kantonrechter dat de officier van justitie een dwangsom is verschuldigd op een juiste uitleg van artikel 4:17 jo Pro. artikel 7:24 van Pro de Awb berust. De stelling van de officier van justitie ten aanzien van de opschortende werking mist wettelijke grondslag. Hiertoe voert de gemachtigde aan dat de brief van 18 december 2023 geen enkele aanwijzing bevat dat sprake was van een verzuim in de zin van
artikel 6:6 van Pro de Awb en reeds daarom niet kan aangemerkt worden als een verzuimmededeling
ex artikel 7:24, derde lid, van de Awb. Ook wijst de uitnodiging voor de hoorzitting en de daarin gestelde termijnen evenmin op enige wijze van opschorting. Voor zover door de officier van justitie uitdrukkelijk de mogelijkheid is geboden om de gronden mondeling aan te vullen tijdens de hoorzitting, betreft dit een omstandigheid die maakt dat de gestelde termijn in feite niet meer inhield dan een uitnodiging voor de hoorzitting. [2] De gemachtigde stelt dat de beslistermijn niet kan worden opgeschort als niet is voldaan aan (de vereisten van) artikel 4:5, eerste lid, van de Awb en de gelegenheid wordt geboden tot het aanvullen van gronden. [3] Uit vaste jurisprudentie volgt bovendien dat het in de gelegenheid stellen tot het aanvullen van gronden buiten de context van artikel 6:6 van Pro de Awb valt en geen opschorting oplevert. [4] Nu het bestuursorgaan op geen enkele wijze kennis heeft gegeven van een dergelijke opschorting, mocht de betrokkene erop vertrouwen dat de wettelijke beslistermijn van 26 weken gold. Gelet op het voorgaande is de gemachtigde van mening dat de ingebrekestelling d.d. 1 april 2024 tijdig en rechtsgeldig is ingebracht.
3. De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie vernietigd en bepaald dat de officier van justitie een dwangsom is verschuldigd aan de betrokkene. Uit de beslissing volgt dat de kantonrechter heeft overwogen dat de beslistermijn eindigde op 30 maart 2024 en dat, nu het Parket CVOM op 1 april 2024 een ingebrekestelling ontving van de gemachtigde, de officier van justitie heeft nagelaten om binnen veertien dagen na ontvangst hiervan te beslissen.
4. Artikel 4:17 Awb Pro houdt, voor zover van belang, in:
“1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
(…)
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.”
5. Artikel 7:24 van Pro de Awb houdt, voor zover hier van belang, in:
“1. Het beroepsorgaan beslist binnen zestien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken.
(…)
3. De termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te Pro herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
4. Het beroepsorgaan kan de beslissing voor ten hoogste tien weken verdagen. (…)”
6. Uit het dossier blijkt het volgende:
  • de inleidende beschikking is op 18 augustus 2023 verzonden aan de betrokkene;
  • de gemachtigde heeft op 24 augustus 2023 administratief beroep ingesteld. Dit beroepschrift bevat onder meer de grond dat de betrokkene de gedraging ontkent. Ook is hierin verzocht om een termijn om de gronden aan te vullen en te worden gehoord;
  • per brief van 18 december 2023 heeft de officier van justitie de gemachtigde uitgenodigd voor een hoorzitting op 19 januari 2024 en hem bericht dat hij tijdens het horen de gelegenheid krijgt zijn gronden aan te vullen. Daarbij is vermeld dat als de gemachtigde de gronden schriftelijk wil aanvullen, hij de gelegenheid krijgt de gronden binnen vier weken na dagtekening van de brief in te dienen;
  • de gemachtigde heeft op de hoorzitting op 19 januari 2024 de gronden van het beroep mondeling aangevuld;
  • per brief van 11 januari 2024 is de beslistermijn met tien weken verlengd;
  • bij brief van 1 april 2024, door de officier van justitie ontvangen op 4 april 2024, heeft de gemachtigde de officier van justitie in gebreke gesteld;
  • op 10 juni 2024 heeft de officier van justitie op het beroep beslist.
7. Het hof heeft in het arrest van 28 oktober 2020 overwogen dat een redelijke uitleg van artikel 7:24, derde lid, van de Awb meebrengt dat de beslistermijn
ookwordt opgeschort in de situatie dat het beroepschrift wel gronden bevat, maar de gemachtigde heeft verzocht om een termijn om de gronden aan te vullen. [5] Dat de gemachtigde vervolgens een termijn wordt geboden om de gronden aan te vullen middels de uitnodiging voor de hoorzitting en dat de gronden op de hoorzitting(en) zijn aangevuld, doet aan de opschortende werking niet af. Het hof overweegt hierbij dat in de brief van 18 december 2023 immers ook een termijn is geboden om de gronden voorafgaande aan de hoorzitting schriftelijk aan te vullen. De verwijzing naar de uitspraken van de rechtbanken Rotterdam van 2 april 2025 en Amsterdam van 24 juli 2025 treffen geen doel, omdat geen sprake is van vergelijkbare zaken. Ook de stelling dat uit de brief van 18 december 2023 niet duidelijk blijkt dat de beslistermijn daarmee wordt opgeschort treft geen doel, nu de gemachtigde in deze zaak zelf om een termijn voor het aanvullen van de gronden heeft verzocht.
8. Gelet op de verzenddatum van de inleidende beschikking liep de termijn om op het administratief beroep te beslissen af op 19 januari 2024. Bij brief van 11 januari 2024 is de termijn om te beslissen met tien weken verlengd. Nu de officier van justitie op verzoek van de gemachtigde een termijn heeft verleend voor het aanvullen van de gronden, is de beslistermijn met toepassing van artikel 7:24, derde lid, van de Awb opgeschort tot 26 april 2024, zodat de ingebrekestelling
d.d. 1 april 2024 (ontvangen op 4 april 2024) prematuur was. De officier van justitie is dus geen dwangsom verschuldigd. Dit brengt mee dat de kantonrechter ten onrechte het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond heeft verklaard en daarbij heeft bepaald dat een dwangsom is verschuldigd. De beslissing van de kantonrechter zal daarom in zoverre worden vernietigd.
9. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover een dwangsom is toegekend;
wijst het verzoek om een dwangsom af;
wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Reuver als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

Voetnoten

2.Zie o.a. de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 2 april 2025, zaaknummer 11112368 en rechtbank Amsterdam van 24 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5698.
3.Hierbij verwijst de gemachtigde naar een uitspraak van de ABRvS 21 juli 2004, AB 2005/14.
4.Zie ABRvS 14 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:27 & CRvB 13 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3506.