AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Recht op dwangsom bij niet tijdig beslissen op verzoek ambtshalve vermindering IB/PVV 2018
Eisers hebben op 15 maart 2024 gezamenlijk verzoeken ingediend om ambtshalve vermindering van hun aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2018, met betrekking tot de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De inspecteur besloot pas op 6 februari 2025, ruim na de wettelijke beslistermijn, deze verzoeken af te wijzen wegens termijnoverschrijding.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur niet tijdig heeft beslist, waardoor eisers recht hebben op een dwangsom. De rechtbank vernietigt de afwijzende beschikkingen vanwege schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat eisers niet in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te laten over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. De inhoudelijke afwijzing wegens termijnoverschrijding blijft echter in stand, omdat de verzoeken buiten de vijfjaarstermijn zijn ingediend zonder verschoonbare omstandigheden.
De rechtbank wijst het beroep op het evenredigheidsbeginsel af, omdat eisers geen aannemelijke feiten hebben aangevoerd waaruit blijkt dat zij onevenredig nadeel hebben ondervonden. Gelet op de samenhang tussen de verzoeken over de jaren 2018, 2019 en 2020, kent de rechtbank één dwangsom toe van €1.442, die wordt verdeeld over de vier zaaknummers. De rechtbank bepaalt dat de inspecteur in de zaken LEE 26/369 en LEE 26/372 een dwangsom van €360,50 moet betalen aan eisers.
Uitkomst: De beroepen worden gegrond verklaard, de afwijzende beschikkingen worden vernietigd wegens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, maar de inhoudelijke afwijzing blijft in stand; eisers krijgen recht op een dwangsom.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 26/369 en LEE 26/372
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 30 april 2026 in de zaken tussen
[eiser en eiseres], uit [plaats] , eisers,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/kantoor Arnhem, de inspecteur.
(gemachtigde: mr. [naam 3] ).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen die eisers hebben ingesteld, omdat de inspecteur volgens hen niet op tijd heeft beslist op hun verzoeken van 15 maart 2024 om ambtshalve vermindering van hun aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018.
1.2.
Eisers zijn op 6 november 2024 in beroep gekomen bij de rechtbank tegen hun aanslagen IB/PVV 2022 (zaaknummers LEE 24/4503 en LEE 24/4504). De rechtbank heeft bij het inschrijven van de beroepen miskend dat eisers óók beroepen hebben ingesteld wegens het al dan niet tijdig beslissen op hun verzoeken om ambtshalve vermindering van hun aanslagen IB/PVV 2018, 2019 en 2020.
1.3.
De inspecteur heeft in vier aparte beschikkingen [1] met datum 6 februari 2025 de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2018, 2019 en 2020 van eisers afgewezen.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen tegen de aanslagen IB/PVV 2022 van eisers (zaaknummers LEE 24/4503 en LEE 24/4504) op 2 februari 2026 op een zitting behandeld. Gelijktijdig heeft de rechtbank ook de zaken over het al dan niet tijdig beslissen op de verzoeken van eisers om ambtshalve vermindering van hun aanslagen IB/PVV 2018, 2019 en 2020 behandeld. Op de zitting heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat er naast de beroepen met zaaknummers LEE 24/4503 en LEE 24/4504, nieuwe zaaknummers worden aangemaakt voor de beroepen wegens het al dan niet tijdig beslissen op hun verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2018, 2019 en 2020.
1.5.
Aan de zitting hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door mr. [naam 4] .
1.6.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat de zaken over het niet tijdig beslissen op de verzoeken van eisers om ambtshalve vermindering van hun aanslagen IB/PVV 2018, 2019 en 2020 worden aangehouden. Dit om eisers in de gelegenheid te stellen inhoudelijke gronden aan te voeren tegen de beschikkingen van de inspecteur waarin de verzoeken zijn afgewezen.
1.7.
De rechtbank heeft naar aanleiding van het behandelde op de zitting de volgende zaaknummers aangemaakt voor de beroepen die zien op het al dan niet tijdig beslissen op de verzoeken om ambtshalve vermindering:
Zaaknummer
Belanghebbende
Jaar
LEE 26/369
[eiseres]
2018
LEE 26/370
[eiseres]
2019 en 2020
LEE 26/372
[eiser]
2018
LEE 26/373
[eiser]
2019 en 2020
1.8.
Na de zitting hebben eisers inhoudelijke gronden ingediend. De inspecteur heeft hierop gereageerd op 10 maart 2026. Op de zitting is met partijen afgesproken dat, na ontvangst van de reactie van de inspecteur op de stukken van eisers, geen nadere zitting meer hoeft plaats te vinden. De rechtbank heeft de onderzoeken gesloten op 16 maart 2026.
1.9.
De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak alleen het al dan niet tijdig beslissen op de verzoeken om ambtshalve vermindering IB/PVV 2018 van eisers en de daarop uiteindelijk genomen beschikkingen. De verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 worden in een afzonderlijke uitspraak (zaaknummers 26/370 en 26/373) behandeld.
Feiten
2. Eisers zijn partners als bedoeld in artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
2.1.
Eisers hebben op 15 maart 2024 (door de inspecteur ontvangen op 19 maart 2024) gezamenlijk verzoeken gedaan om ambtshalve vermindering van hun aanslagen IB/PVV 2018 (de verzoeken). Hierin staat onder andere – en voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:
“ Tevensbevat deze brief een verzoek tot (ambtshalve) vermindering in de jaren dat voor ons de inkomensafhankelijke combinatiekorting nog van ons voor toepassing. De inspecteur/ontvanger verzuimde de inkomensafhankelijke combinatiekorting toe te passen, welke voor ons in het jaar 2020 en alle jaren daaraan vooraf nog van toepassing was.”
2.2.
Op 26 juli 2024 heeft de inspecteur een ingebrekestelling ontvangen.
2.3.
Met datum 6 februari 2025 heeft de inspecteur bij beschikking op de verzoeken beslist. De inspecteur heeft de verzoeken afgewezen, met als reden dat deze te laat zijn ingediend.
2.4.
Op 6 februari 2025 heeft de inspecteur bij beschikkingen ook beslist op de verzoeken van eisers om ambtshalve vermindering van hun aanslagen IB/PVV 2019 en 2020. In deze beschikkingen is volledigheidshalve over de eerder jaren opgemerkt dat [eiseres] in de jaren 2017 tot en met 2020 geen (positief) arbeidsinkomen had. Om deze reden bestond er volgens de inspecteur in die jaren geen recht op een inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank stelt voorop dat eisers deze procedures zijn gestart als beroepen tegen het niet tijdig nemen van een beslissing door de inspecteur. De rechtbank beoordeelt daarom of de inspecteur tijdig op de verzoeken heeft beslist en zo nee, of de inspecteur een dwangsom is verschuldigd.
4. Lopende de beroepsprocedure heeft de inspecteur alsnog bij beschikkingen beslist op de verzoeken (2.3.). De beroepen zien van rechtswege [2] ook op de alsnog door de inspecteur genomen beschikkingen. Eisers hebben inhoudelijk gronden ingediend tegen de genomen beschikkingen van de inspecteur (1.8). De rechtbank beoordeelt daarom ook of de inspecteur terecht de verzoeken heeft afgewezen. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel zijn geschonden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
5. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet tijdig op de verzoeken heeft beslist. Eisers hebbe recht op een dwangsom. Omdat er sprake is van samenhang, hebben eisers voor hun verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2018, 2019 en 2020 recht op één dwangsom van € 1.442. De rechtbank is verder van oordeel dat de inspecteur terecht de verzoeken heeft afgewezen. Wel is de rechtbank van oordeel dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. Het evenredigheidsbeginsel is niet geschonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Zijn de verzoeken om ambtshalve vermindering terecht afgewezen?
6. Eisers voeren aan dat de verzoeken weliswaar te laat zijn ingediend, maar volgens eisers is de termijnoverschrijding verschoonbaar vanwege bijzondere omstandigheden. Eisers voeren daartoe aan dat de gevolgen van de Toeslagenaffaire, in combinatie met de omvangrijke hersteladministratie en de daaruit voortvloeiende prioritering van fiscale procedures, ervoor heeft gezorgd dat het verzoek te laat is ingediend.
7. De inspecteur stelt dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding voor het indienen van de verzoeken buiten de vijf jaarstermijn.
8. De verzoeken van 19 maart 2024 zijn buiten de termijn van vijf jaren [3] ingediend. Tussen partijen is dit ook niet in geschil. Een schriftelijk verzoek om ambtshalve vermindering is een verzoekschrift als bedoeld in artikel 60 vanPro de AWR. Op grond van artikel 60 vanPro de AWR is artikel 6:11 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van overeenkomstig van toepassing. Dit houdt in dat een verzoek dat buiten de termijn van vijf jaar is ontvangen, alsnog door de inspecteur in behandeling moet worden genomen als sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding.
9. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is sprake als eisers niet valt aan te rekenen dat zij te laat waren met hun verzoeken. [4] Uit de door eisers aangevoerde persoonlijke omstandigheden blijkt naar het oordeel van de rechtbank geen grond waaruit volgt dat dat zij niet in staat waren om tijdig binnen de vijf jaarstermijn verzoeken in te dienen. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat eisers gedurende deze vijf jaren wel in staat waren om hun aangiften IB/PVV op tijd in te dienen. Hoewel het eisers vrij staat om zelf een prioritering in (fiscale) procedures aan te brengen, komt deze prioritering wel voor hun rekening en risico. Dat zij als gevolg van deze prioritering de verzoeken te laat hebben ingediend, is dan ook niet verschoonbaar. De inspecteur heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank terecht de verzoeken afgewezen wegens termijnoverschrijding.
Is het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden?
10. Eisers stellen zich vervolgens op het standpunt dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. De inspecteur heeft namelijk zonder nadere belangenafweging en zonder inhoudelijke toetsing de verzoeken afgewezen. De inspecteur is van mening dat geen sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat er zorgvuldig onderzoek is gedaan naar de inkomensafhankelijke combinatiekorting en gemotiveerd is vastgesteld dat niet is voldaan aan de eisen.
11. De verzoeken zijn na de vijf jaarstermijn ingediend (8.). Omdat artikel 6:11 vanPro de Awb van overeenkomstige toepassing is (8.), overweegt de rechtbank dat de inspecteur ook in dit geval verplicht was om onderzoek te doen naar de eventuele verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. [5] Uit het arrest van de Hoge Raad van 18 oktober 2019 volgt dat de door de inspecteur in acht te nemen zorgvuldigheid meebrengt dat hij de verzoeken van eisers niet mocht afwijzen wegens termijnoverschrijding, voordat hij eisers in de gelegenheid had gesteld zich uit te laten over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. [6] De rechtbank stelt vast dat uit het procesdossier niet volgt dat eisers door de inspecteur in de gelegenheid zijn gesteld om zich uit te laten over de reden dat de verzoeken zijn ingediend nadat de vijf jaarstermijn is verstreken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden.
12. Vanwege de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel zijn de beroepen gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de beschikkingen waarin de verzoeken om ambtshalve vermindering voor de aanslagen IB/PVV 2018 van eisers zijn afgewezen. Omdat de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank de verzoeken wel terecht heeft afgewezen vanwege de termijnoverschrijding (9.), laat de rechtbank de rechtsgevolgen van de beschikkingen in stand.
Is het evenredigheidsbeginsel geschonden?
13. Eisers stellen zich ook op het standpunt dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden. Volgens de inspecteur is daar geen sprake van.
14. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel [7] slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt, waaruit volgt dat zij onevenredig nadelige gevolgen hebben ondervonden als gevolg van de beschikkingen waarin de inspecteur heeft beslist om de verzoeken af te wijzen.
Hebben eisers recht op een dwangsom?
15. Eisers stellen dat de inspecteur niet tijdig heeft beslist en dat zij daarom recht hebben op een dwangsom. De inspecteur neemt het standpunt in dat hij geen dwangsom is verschuldigd, omdat de verzoeken kennelijk ongegrond waren. [8] Voor het geval de rechtbank wel van oordeel is dat aan eisers een dwangsom moet worden toegekend, heeft de inspecteur gesteld dat sprake is van samenhang.
16. Een verzoek om ambtshalve vermindering is een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid van de Awb. [9] Gelet hierop is bij verzoeken om ambtshalve vermindering de dwangsomregeling van toepassing. [10] Dit is tussen partijen ook niet in geschil.
17. De inspecteur heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld, omdat het volgens hem de verzoeken kennelijk zijn afgewezen en er daarom geen dwangsom is verschuldigd. [11] De rechtbank volgt de inspecteur niet in deze stelling. Uit de beschikkingen volgt dat de inspecteur de verzoeken heeft afgewezen. De inspecteur heeft de verzoeken dus niet kennelijkafgewezen (2.3.). Daarnaast volgt uit de beschikking waarin is beslist op de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 (2.4.) dat de inspecteur ook inhoudelijk naar de verzoeken van eisers heeft gekeken. Hier komt bij dat de inspecteur in het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel juist stelt dat er inhoudelijk zorgvuldig onderzoek is gedaan (10.). Ook hieruit volgt dat de verzoeken niet kennelijkzijn afgewezen. De uitzondering van artikel 4:17, zesde lid onder c van de Awb (tekst 2018) is daarom niet van toepassing.
18. Eisers hebben nadat de beslistermijn was verstreken de inspecteur in gebreke gesteld (2.1.). De inspecteur heeft pas op de verzoeken beslist na afloop van de termijn van twee weken om alsnog te beslissen na de ontvangst van de ingebrekestelling (zie 2.1 en 2.2.). Eisers hebben daarom recht op een dwangsom. [12] De rechtbank stelt deze op grond van artikel 8:55c van de Awb zelf alsnog vast. Omdat de inspecteur pas heeft beslist nadat hij al meer dan 42 dagen in gebreke was, bedraagt de hoogte van de dwangsom in dit geval het maximumbedrag van € 1.442. [13]
19. De inspecteur heeft gesteld dat er sprake is van samenhang, zodat er in totaal maar één dwangsom moet worden toegekend. De rechtbank overweegt dat de dwangsomregeling is bedoeld als financiële prikkel voor bestuursorganen om besluiten te nemen binnen de geldende beslistermijnen. [14] In dit geval hebben eisers gelijktijdig voor meerdere jaren in één gezamenlijk verzoekschrift voor hun beide verzocht om toepassing van inkomensafhankelijke combinatiekorting voor “ het jaar 2020 en alle jaren daaraan vooraf”(2.1.). De doorlooptijd van de behandeling en daarmee voor de beslistermijn verliep voor alle verzoeken om ambtshalve vermindering gelijktijdig. De inspecteur heeft voor alle jaren (2018, 2019 en 2020) op dezelfde dag een beschikking genomen. Daar komt bij dat de verzoeken telkens zien op de toepassing van de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van samenhang. Dat er meerdere beschikkingen zijn genomen, doet hier niet aan af. [15] Ook het feit dat er twee verschillende belanghebbenden zijn, maakt niet dat er geen sprake meer is van samenhang. Bij de beoordeling of de inkomensafhankelijke combinatiekorting van toepassing kan zijn, zijn namelijk ook de feiten van belang die betrekking hebben op de partner.
20. Omdat er sprake is van samenhang hebben eisers recht op één keer een dwangsom van € 1.442 voor hun gezamenlijke verzoeken. Deze verzoeken omvatten naast het jaar 2018, ook de jaren 2019 en 2020. De zaken van eisers over de jaren 2019 en 2020 zijn door de rechtbank beoordeeld in een andere uitspraak met zaaknummers LEE 26/370 en LEE 26/373. Omdat er samenhang bestaat tussen de vier zaaknummers, bepaalt de rechtbank dat de inspecteur in elk van de zaaknummers een dwangsom van € 360,50 (€ 1.442 / 4) moet betalen.
21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur ten onrechte geen dwangsom aan eisers toegekend. Ook om deze reden zijn de beroepen gegrond.
Conclusie en gevolgen
22. De beroepen zijn gegrond. De inspecteur heeft het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. De rechtbank heeft de beschikkingen daarom vernietigd. Omdat de beschikkingen inhoudelijk wel juist zijn, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van die beschikkingen in stand gelaten. Eisers hebben daarnaast beide recht op een dwangsom van € 360,50.
22.1.
Omdat de zaaknummers LEE 26/369 en LEE 26/372 zijn aangemaakt na de zitting van 2 februari 2026, heeft de rechtbank geen griffierecht geheven. Eisers hebben in hun zaken met zaaknummers LEE 24/4503 en LEE 24/4504, die gelijktijdig zijn behandeld op de zitting van 2 februari 2026 (1.4.), al een proceskostenvergoeding in de vorm van reiskosten toegekend gekregen. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaken ook een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt de afwijzende beschikkingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2018 van eisers;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beschikkingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2018 van eisers in stand blijven;
stelt in de zaak LEE 26/369 de door de inspecteur te betalen dwangsom vast op € 360,50;
stelt in de zaak LEE 26/372 de door de inspecteur te betalen dwangsom vast op € 360,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.S. Langius, rechter, in aanwezigheid van mr.R. Schultinga, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 30 april 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Een afwijzende beschikking ambtshalve vermindering IB/PVV 2018 eiseres, een afwijzende beschikking ambtshalve vermindering IB/PVV 2018 eiser, een afwijzende beschikking ambtshalve vermindering IB/PVV 2019/2020 eiseres en een afwijzende beschikking ambtshalve vermindering IB/PVV 2019/2020 eiser.
2.Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Op grond van artikel 45aa, aanhef onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001.