Belanghebbende had tegen twee WOZ-beschikkingen voor twee naast elkaar gelegen woningen bezwaar gemaakt vanwege onvoldoende waardering van achterstallig onderhoud en gedateerdheid. De heffingsambtenaar stelde belanghebbende in gebreke en deed vervolgens in één geschrift uitspraken op bezwaar. Er werd één dwangsom van €280 toegekend.
De Rechtbank oordeelde dat vanwege de samenhang tussen de twee besluiten slechts één dwangsom verschuldigd was. Belanghebbende stelde hiertegen beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Deze bevestigde het oordeel van de Rechtbank, dat het verbeuren van een dwangsom niet per WOZ-object afzonderlijk hoeft te worden beoordeeld als het gaat om samenhangende besluiten.
De Hoge Raad vond het oordeel van de Rechtbank niet onjuist, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd en wees het cassatieberoep af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd op 29 mei 2015 in het openbaar uitgesproken.