Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1422

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
LEE 23/5419
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Uitvoeringsregeling BPMArt. 5.2.48 Regeling voertuigenArt. 8, derde lid, Uitvoeringsregeling BPMArt. 5 hoofdstuk 5 Regeling voertuigenArt. 7 hoofdstuk 7 Regeling voertuigen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag BPM verminderd wegens essentiële gebreken aan auto

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 2.314 opgelegd door de inspecteur, die de taxatiemethode niet accepteerde vanwege essentiële gebreken aan de auto. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht de naheffingsaanslag heeft opgelegd, maar dat de historische nieuwprijs onjuist was vastgesteld. De auto vertoont scherpe en uitstekende delen die onvoldoende zijn afgeschermd, wat een essentieel gebrek vormt waardoor de taxatiemethode niet gebruikt mag worden.

De RDW-keuring via een Versnelde Individuele Aanvraag (VIA) is onvoldoende omdat deze alleen op basis van foto’s plaatsvond en de gebreken niet kon vaststellen. De rechtbank volgt de inspecteur hierin en wijst het beroep van eiseres af op dit punt. Wel vermindert de rechtbank de naheffingsaanslag tot € 2.153, het bedrag dat partijen op de zitting overeenkwamen.

Verder oordeelt de rechtbank dat de redelijke termijn voor de procedure is overschreden en kent een immateriële schadevergoeding van € 500 toe aan eiseres. De inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van € 3.200. De uitspraak vervangt de eerdere uitspraak op bezwaar.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot € 2.153 wegens essentiële gebreken aan de auto en de inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/5419
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] BV, gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H. van Dam),
en
de inspecteur van de Belastingdienst Centrale administratieve processen/Auto/BPM,de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 december 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiseres een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 2.314.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. R. Lammers (de kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres) en namens de inspecteur mr. [naam 1] , mr. [naam 2] , [naam 3] .

Feiten

2. Eiseres heeft aangifte Bpm gedaan voor een personenauto BMW 5-serie, 530d xDrive High Executive M-Sport (de auto). De aangegeven CO2-uitstoot van de auto bedraagt 149 gr/km op basis van WLTP. De datum eerste toelating van de auto is 25 januari 2022.
2.1.
De Bpm is door eiseres berekend aan de hand van een taxatierapport met datum 20 juni 2022 verschuldigde Bpm van € 5.018 is berekend op basis van een historische nieuwprijs van € 109.286 en een handelsinkoopwaarde van € 42.216. Die handelsinkoopwaarde is berekend door een bedrag van € 18.534 (bestaande uit een aftrek van € 15.084 wegens schade, een bijtelling voor correctie Xray matrix van € 150 en een aftrek van € 3.600 in verband met ‘geen oordeel km stand’) in mindering te brengen op de handelsinkoopwaarde volgens een Xray koerslijst van € 60.750.
2.2.
De Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) heeft de auto gekeurd op 24 juni 2022 middels een Versnelde Individuele Aanvraag (VIA).
2.3.
De inspecteur heeft eiseres uitgenodigd de auto bij de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) te tonen. DRZ heeft met dagtekening 4 juli 2022 een verslag van haar bevindingen gemaakt. DRZ heeft een essentieel gebrek geconstateerd: de bevestiging van de koplampen zijn afgebroken. De inspecteur heeft verder aangegeven dat de zijruit kapot is en het voertuig meerdere scherpe en uitstekende delen heeft. Volgens de inspecteur kan als gevolg hiervan de afschrijving niet worden bepaald aan de hand van de taxatiemethode, maar dient de afschrijving te worden bepaald aan de hand van de bij de aangifte overgelegde Xray koerslijst. In het rapport van DRZ is een historische nieuwprijs van € 107.618 opgenomen en een handelsinkoopwaarde van € 60.750.
2.4.
Naar aanleiding van de bevindingen van DRZ heeft de inspecteur de in geschil zijnde naheffingsaanslag opgelegd.
2.5.
In zijn verweerschrift heeft de inspecteur geschreven dat gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [1] bij het opleggen van de naheffingsaanslag een verkeerde historische nieuwprijs als uitgangspunt is gehanteerd. Volgens de inspecteur moet de historische nieuwprijs (aan de hand van de koerslijst Xray van DRZ) worden vastgesteld op € 109.822.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag heeft opgelegd. Meer specifiek is in geschil of er sprake is van essentiële gebreken en of het taxatierapport kan dienen.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Hierbij is de inspecteur echter wel uitgegaan van een verkeerde historische nieuwprijs en daarom heeft de inspecteur de naheffingsaanslag niet naar het juiste bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vermindering op basis van de taxatiemethode?
5. Eiseres stelt dat er geen sprake is van essentiële gebreken en dat op basis van de schade die blijkt uit het taxatierapport een waardevermindering moet worden toegepast voor de berekening van de Bpm. Eiseres voert daarbij aan dat de RDW de auto heeft goedgekeurd.
6. De inspecteur heeft de stellingen van eiseres gemotiveerd weersproken. Daarbij heeft de inspecteur nog gewezen op de omstandigheid dat de auto bij de RDW is gekeurd door middel van een VIA. Dit betekent dat de RDW de auto enkel op basis van foto’s heeft beoordeeld en niet fysiek heeft geïnspecteerd, zodat de RDW niet heeft kunnen beoordelen of de auto voldeed aan alle eisen van hoofdstuk 5 en 7 van de Regeling Voertuigen. Het was eiseres volgens de inspecteur niet toegestaan om de auto middels een VIA te laten keuren, omdat de auto schade heeft.
7. De bewijslast ten aanzien van de schade rust op eiseres. Zij heeft daartoe gewezen op het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. De inspecteur heeft de door eiseres bepleite waardevermindering wegens schade gemotiveerd betwist, door te stellen dat sprake is van essentiële gebreken [2] aan de auto. Bij een auto met essentiële gebreken kan geen enkele vermindering vanwege schade in aanmerking worden genomen, aldus de inspecteur. Bovendien heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat het taxatierapport niet tot bewijs kan dienen omdat het niet de status van de auto op het moment van de goedkeuring door de RDW weergeeft.
8. De rechtbank stelt het volgende voorop. Artikel 8, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Bpm (tekst tot 2022) bepaalt dat bij een gebruikt motorrijtuig dat essentiële gebreken vertoont waardoor met het motorrijtuig niet kan of mag worden deelgenomen aan het verkeer, geen vermindering van Bpm plaatsvindt. Dat betekent dat in die situatie de taxatiemethode niet gebruikt kan worden om de verschuldigde Bpm te bepalen. Vanaf 2022 is de tekst van de bepaling gewijzigd en wordt niet meer gesproken over een motorrijtuig met essentiële gebreken, maar over een motorrijtuig dat niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de hoofdstukken 5 en 7 van de Regeling voertuigen. De strekking van de bepaling is echter, ondanks andere bewoordingen, voor zover hier van belang, hetzelfde gebleven. Dat betekent dat ook vanaf 2022 de afschrijving niet met de taxatiemethode kan worden bepaald als sprake is van een auto met essentiële gebreken. De vraag die beantwoord moet worden is wanneer sprake is van essentiële gebreken.
9. Zowel in de “oude” (tot 2022) geldende, als in de huidige wetgeving wordt gesproken over een auto met zodanige gebreken dat daarmee niet mag of kan worden deelgenomen aan het verkeer. Uit artikel 5.2.48, eerste lid van de Regeling voertuigen volgt dat een voertuig geen scherpe delen mag hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren en uit het tweede lid volgt dat deze uitstekende delen moeten zijn afgeschermd. In het rapport van DRZ wordt geconstateerd dat er sprake is van meerdere scherpe en uitstekende delen. Uit de foto’s bij het rapport blijkt dat eiseres dit gebrek heeft willen herstellen middels het tapen van de scherpe en uitstekende delen. De rechtbank is van oordeel dat het enkel tapen van scherpe en uitstekende delen onvoldoende is om in geval van botsing geen gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers te kunnen opleveren. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een essentieel gebrek en mocht eiseres bij het doen van aangifte geen gebruik maken van de taxatiemethode. Het gelijk op dit punt is aan de inspecteur.
10. Dat de auto wel door de RDW is goedgekeurd doet aan dit oordeel niet af. De rechtbank overweegt dat de inspecteur in dit kader onbetwist heeft gesteld dat de RDW de auto middels de online dienst VIA heeft gekeurd, waarbij aan de hand van de door eiseres ingediende foto’s de gebreken niet aan het licht zijn gekomen omdat de RDW de auto niet (fysiek) beoordeelt. De beroepsgrond slaagt niet.
Hoogte van de naheffingsaanslag
11. Op de zitting zijn tussen partijen het er over eens geworden dat de naheffingsaanslag – indien de taxatiemethode niet kan worden gebruikt – moet worden vastgesteld op een bedrag van € 2.153. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat eiseres geen gebruik kan maken van de taxatiemethode. De rechtbank zal daarom de naheffingsaanslag verminderen tot een bedrag van € 2.153.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Vergoeding van immateriële schade
13. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg (ISV).
14. De inspecteur heeft erop gewezen dat de zitting in deze zaak eerder was gepland op 21 oktober 2024 en vervolgens op 2 december 2024, maar dat (de gemachtigde van) eiseres beide keren om uitstel heeft verzocht. Het langer voortduren van de procedure is volgens de inspecteur daarom toe te rekenen aan gemachtigde. De inspecteur heeft concreet verzocht om de redelijke termijn met de periode gelegen tussen 2 december 2024 en 5 maart 2026 (de uiteindelijke zittingsdatum) te verlengen.
15. De rechtbank overweegt als volgt. In de uitspraak van 29 januari 2026 van deze rechtbank [3] was eenzelfde verzoek tot verlenging aan de orde. Het betrof dezelfde gemachtigde en dezelfde eerder geplande zittingsdata. In die zaak heeft de zitting uiteindelijk plaatsgevonden op 13 november 2025. De rechtbank heeft aanleiding gezien om de redelijk termijn te verlengen met elf maanden en het volgende overwogen:

9.2. De rechtbank ziet aanleiding om de redelijke termijn in dit geval te verlengen. Het eerste verzoek om uitstel van de gemachtigde van eiseres geeft geen aanleiding tot verlenging [4] , maar de rechtbank merkt het tweede verzoek om uitstel wel aan als een bijzondere omstandigheid die verlenging van de redelijke termijn voor berechting rechtvaardigt. [5] De personele omstandigheden bij de gemachtigde die in dit verzoek zijn genoemd, moeten voor rekening van eiseres komen. De rechtbank verlengt de redelijke termijn met (ruim) 11 maanden, zijnde de periode tussen 2 december 2024 en 13 november 2025.”
16. De rechtbank komt in dit beroep tot een gelijk oordeel en verlengt de redelijke termijn met (ruim) elf maanden, zijnde de periode tussen 2 december 2024 en 13 november 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om de redelijke termijn te verlengen tot en met 5 maart 2026 (de uiteindelijke zittingsdatum), omdat de periode van 13 november 2025 tot en met de uiteindelijke zittingsdatum niet voor rekening van eiseres komt. Het is namelijk niet aan eiseres toe te rekenen dat deze zaak niet al op 13 november 2025 op zitting is behandeld, samen met de hiervoor onder 15. genoemde zaak.
17. De rechtbank stelt vast dat in de procedure de redelijke termijn is overschreden, nu er op de dag waarop deze uitspraak is gedaan meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de dag waarop de inspecteur het bezwaar heeft ontvangen. Tot en met de datum van deze uitspraak zijn er drie jaren en (afgerond) vier maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn – zonder verlenging – met afgerond zestien maanden is overschreden. Rekening houdend met verlenging van de redelijke termijn met elf maanden (de periode tussen 2 december 2024 en 13 november 2025) is de termijnoverschrijding (afgerond naar boven) vijf maanden. Dit leidt tot een ISV van € 500. Het bezwaar is door de inspecteur ontvangen op 27 december 2022. De uitspraak op bezwaar is gedaan op 12 december 2023. De termijnoverschrijding is volledig toe te rekenen aan de inspecteur. De rechtbank veroordeelt daarom de inspecteur tot vergoeding van de immateriële schade voor een bedrag van € 500.
Proceskosten
18. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934, met toepassing van een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 2.153;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 500;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.200.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Schultinga, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 16 april 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad van 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703
2.Zoals bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Bpm (tekst tot 2022).
3.Rechtbank Noord-Nederland 29 januari 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:380
4.Zie Hoge Raad 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1461.
5.Zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.5.1.b.