ECLI:NL:RBNNE:2025:4814

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
C/18/244013 / HA ZA 25-101
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:196 BWArt. 6:119 BWArt. 1:88 BWArt. 7:186 BWArt. 6:228 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot vernietiging verdeling onroerend goed wegens verschil WOZ-waarde en marktwaarde afgewezen

Eiseres en gedaagde zijn erfgenamen van hun ouders en verdeelden gezamenlijk onroerend goed, waaronder een werkplaats in Groningen. De werkplaats werd in de notariële akte van verdeling toegedeeld aan gedaagde tegen de WOZ-waarde van €60.000. Eiseres stelt dat zij heeft gedwaald over de waarde en vordert vernietiging van de verdeling wegens benadeling van meer dan een kwart. Daarnaast vordert haar echtgenoot vernietiging van een vermeende gift aan gedaagde.

De rechtbank oordeelt dat de afstandsclausules in de akte de vernietiging van de verdeling in de weg staan en dat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van dwaling omtrent de waarde. Ook is geen sprake van een gift, omdat eiseres niet bewust was van bevoordeling van gedaagde. De subsidiaire vordering tot betaling van €30.000 wegens onderbedeling wordt toegewezen. Gedaagde erkent deze schuld, maar betwist de opeisbaarheid; de rechtbank bepaalt dat de vordering opeisbaar werd op 5 december 2024.

De proceskosten worden gecompenseerd vanwege de familierelatie, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Vordering tot vernietiging van de verdeling wordt afgewezen, maar gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €30.000 met wettelijke rente aan eiseres wegens onderbedeling.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: C/18/244013 / HA ZA 25-101
Vonnis van 19 november 2025
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [eiser sub 1] ,
2.
[eiser sub 2],
te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [eiser sub 2] ,
eisende partijen,
advocaat: mr. V.S.A.W. Wegter,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. G. Raaben.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 juli 2025;
- de spreekaantekeningen van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ;
- de mondelinge behandeling van 1 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser sub 1] en [gedaagde] zijn de kinderen van de heer [erflater] (hierna: erflater), overleden op [overlijdensdatum] 1996, en mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster), overleden op [overlijdensdatum] 2022.
2.2.
[eiser sub 2] is de echtgenoot van [eiser sub 1] .
2.3.
Tussen erflater en erflaatster bestond een wettelijke gemeenschap van goederen, welke is ontbonden door het overlijden van erflater.
2.4.
Erflater heeft op 9 januari 1987 bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Hij heeft het recht van vruchtgebruik van zijn gehele nalatenschap aan zijn echtgenote gelegateerd, en haar uitgesloten als erfgenaam. In het testament is een uitsluitingsclausule opgenomen die woordelijk luidt:
"Ik bepaal dat al hetgeen mijn erfgenamen en legataris uit mijn nalatenschap verkrijgen, daaronder begrepen datgene wat door herbelegging daarvoor in de plaats is gekomen, alsmede alle vruchten welke daarvan worden verkregen, niet zal respectievelijk zullen vallen in enige huwelijksgemeenschap waarin zij zijn gehuwd of mochten huwen, noch in enig gemeenschappelijk vermogen, waarin zij krachtens enige vorm van samenleving mochten gerechtigd zijn of worden."
Erflater heeft [gedaagde] en [eiser sub 1] achtergelaten als zijn erfgenamen, ieder voor de onverdeelde helft van zijn nalatenschap. Het recht van vruchtgebruik is niet bij notariële akte afgegeven.
2.5.
Erflaatster heeft eveneens op 9 januari 1987 bij testament over haar nalatenschap beschikt en een gelijkluidende uitsluitingsclausule opgenomen in het testament. Ook zij heeft [gedaagde] en [eiser sub 1] achtergelaten als haar erfgenamen, ieder voor de onverdeelde helft van haar nalatenschap.
2.6.
Blijkens de hierna te vermelden akte van verdeling hebben [eiser sub 1] en [gedaagde] de nalatenschappen van hun ouders zuiver aanvaard.
2.7.
Tot de onverdeelde nalatenschappen van erflaters behoorde - voor zover relevant - onroerend goed bestaande uit een werkplaats, gelegen aan de [straatnaam] in Groningen (verder: de werkplaats). Daartoe waren [eiser sub 1] en [gedaagde] samen gerechtigd: sinds het overlijden van erflater ieder voor één vierde onverdeeld aandeel onder bezwaar van het recht van vruchtgebruik ten behoeve van hun moeder, en sinds het overlijden van erflaatster ieder voor de onverdeelde helft.
2.8.
Op verzoek van [gedaagde] heeft notaris mr. H.G.H. Suk (verder: de notaris) een conceptakte van verdeling opgesteld, die de notaris bij brief van 20 september 2022 aan [eiser sub 1] heeft gestuurd, met de vraag of zij zich met de inhoud daarvan kon verenigen. In het concept wordt de werkplaats toebedeeld aan [gedaagde] . Verder staat in de brief van de notaris onder meer:
“Voor de verdere opstelling van de akte en de nota van afrekening ontvang ik graag nog van u de waarde waarvoor de werkplaats in de verdeling wordt opgenomen.”
2.9.
Bij brief van 19 april 2023 heeft de notaris [eiser sub 1] opnieuw aangeschreven met de mededeling dat hij nog niet van haar heeft vernomen. Hij heeft [eiser sub 1] opnieuw verzocht aan te geven voor welke waarde de werkplaats in de verdeling moet worden opgenomen en haar tevens verzocht om, indien zij met een en ander akkoord is, een afspraak te maken voor de ondertekening van de akte.
2.10.
Op 7 juli 2023 is voor de notaris een notariële akte van verdeling (verder: de akte) verleden, waarin de werkplaats (in de akte genoemd: het registergoed) in eigendom is toegedeeld aan [gedaagde] . In deze akte staat, voor zover van belang:
"
WAARDE REGISTERGOED
Het registergoed wordt in deze verdeling betrokken voor een door de deelgenoten in onderling overleg overeengekomen waarde van zestigduizend euro (€ 60.000,00), zijnde de WOZ-waarde voor het belastingjaar tweeduizend drieëntwintig (2023) met peildatum één januari tweeduizend tweeëntwintig (01-01-2022).
(…)
VERDELING EN LEVERING
De deelgenoten verklaarden de volgende partiële (namelijk voor zover het hiervoor vermelde registergoed betreft) verdeling te zijn overeengekomen:
Met ingang van heden, ook te noemen: "de overnamedatum" zal worden toebedeeld aan
de verkrijger:
het registergoed.
Ter uitvoering van de toedeling verklaarden de deelgenoten: het registergoed te leveren aan de verkrijger, die verklaarde het registergoed te aanvaarden.
TOEDELING
In verband met de toedeling van de tussen de deelgenoten bestaande gemeenschap is tussen de deelgenoten overeengekomen dat er thans geen overbedelingssom is verschuldigd.
Hiermee verklaarden de deelgenoten voormeld registergoed geheel naar genoegen te hebben verdeeld, dat ieder der deelgenoten het hem of haar toekomende heeft ontvangen en in bezit genomen, redenen om elkaar terzake van deze verdeling volledig te kwiteren en te déchargeren, zonder enig voorbehoud.
OVERIGE BEPALINGEN
Ter zake van deze verdeling zijn de deelgenoten nog als volgt overeengekomen:
(…)
6. De deelgenoten doen afstand van de (eventuele) bevoegdheid wegens het niet nakomen van hun verplichtingen ontbinding te vorderen van de toedeling alsmede van iedere bevoegdheid vernietiging van de verdeling te vorderen.
Iedere deelgenoot aanvaardt de verdeling te zijnen bate of schade.
7. voor het geval vernietiging van deze verdeling wordt gevorderd, op welke grond dan ook, zal dit geen aanleiding geven tot wijziging van deze verdeling, maar kan dit slechts leiden tot herrekening in geld.
De deelgenoten doen afstand van het recht om ontbinding van deze verdeling te vorderen, op welke grond dan ook.
(…)
SLOT
(…)
De verschenen personen hebben verklaard tijdig voor het verlijden van deze akte van de inhoud kennis te hebben genomen, hiermee in te stemmen en de gevolgen hiervan onvoorwaardelijk te aanvaarden. Zij verklaarden op volledige voorlezing van deze akte geen prijs te stellen. De zakelijke inhoud van de akte is door mij, notaris, aan de verschenen personen medegedeeld en toegelicht. De verschenen personen zijn door mij, notaris, gewezen op de gevolgen die voor hen uit de inhoud van de akte voortvloeien.
Onmiddellijk daarna is de akte beperkt voorgelezen en door de verschenen personen en mij, notaris, ondertekend, om tien uur en tweeënveertig minuten."
2.11.
[eiser sub 1] heeft [gedaagde] in het begin van het jaar 2024 gevraagd om mee te werken aan taxatie van de werkplaats. [gedaagde] heeft daar niet (schriftelijk) op gereageerd.
2.12.
In opdracht van [eiser sub 1] heeft [makelaar] (verder: de makelaar) in oktober 2024 de actuele verkoopprijs van de werkplaats bepaald op een bedrag van € 175.000,00.
2.13.
[eiser sub 1] heeft [gedaagde] bij brief van 25 november 2024 verzocht ter zake van overbedeling een bedrag aan haar een bedrag van € 87.500,00 te betalen.
2.14.
[gedaagde] is niet tot betaling van enig bedrag aan [eiser sub 1] overgegaan.

3.Het geschil

3.1.
[eiser sub 1] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I.
Primair:
de verdeling en levering van het registergoed staande en gelegen te Groningen aan de [straatnaam] (nabij de [straatnaam] ) ongenummerd, kadastraal bekend gemeente Groningen, sectie [perceel] , die tot stand is gekomen door de akte van verdeling d.d. 7 juli 2023, te vernietigen wegens benadeling van meer dan een kwart (art. 3:196 BW Pro);
Subsidiair:
[gedaagde] te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag ad. € 30.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro vanaf de datum dat de akte van verdeling gepasseerd is, te weten 7 juli 2023, tot de dag van algehele voldoening, te voldoen binnen drie maanden na betekening van het in dezen te wijzen vonnis;
II.
Voorwaardeliik, namelijk in het geval dat de voorwaardelijke vordering van [eiser sub 2] onder III wordt toegewezen:
1. [gedaagde] te veroordelen om binnen twee weken na de datum van het vonnis instemming en medewerking te verlenen aan het door [eiser sub 1] en [gedaagde] tezamen opdracht geven aan [makelaar] B.V. althans aan een andere taxateur, voor een bindende taxatie van het registergoed aan de [straatnaam] (gelegen nabij de [straatnaam] ) te Groningen, kadastraal bekend gemeente Groningen, [perceel] , met als peildatum 7 juli 2023; en
2. te bepalen dat indien [gedaagde] de in punt 1 bedoelde rechtshandeling(en) niet verricht, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW Pro dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van gedaagde strekkende tot het verrichten die rechtshandeling(en); en
3. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag dat gelijk is aan de helft van het verschil tussen de getaxeerde waarde van het in punt 1 bedoelde registergoed, peildatum 7 juli 2023, en de waarde waarvoor de werkplaats in de akte van verdeling d.d. 7 juli 2023 is opgenomen ad. € 60.000,-, althans tot betaling aan [eiser sub 1] van een bedrag ad. € 49.887,50;
4. zulks te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:1 19 BW vanaf de datum dat de akte van verdeling gepasseerd is, te weten 7 juli 2023, tot de dag van algehele voldoening;
5. alles te voldoen binnen drie maanden nadat de taxateur de bindende taxatie zoals bedoeld in punt 1 heeft afgegeven, althans binnen drie maanden na betekening van het in dezen te wijzen vonnis;
3.2.
[eiser sub 2] vordert:
III.
Voorwaardelijk, namelijk in het geval dat de primaire vordering van [eiser sub 1] in petitumnummer I wordt afgewezen:
- de rechtshandeling van [eiser sub 1] waardoor de akte van verdeling d.d. 7 juli 2023 tot stand is gekomen te vernietigen op grond van art. 1:88 lid 1 sub b jo Pro. 1:89 BW;
3.3.
[eiser sub 1] en [eiser sub 2] vorderen daarnaast:
IV. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, alsmede de nakosten volgens het liquidatietarief, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
3.4.
[gedaagde] voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] , dan wel tot afwijzing van hun vorderingen, met veroordeling van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de kosten van deze procedure.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Inleiding
4.1.
Het geschil tussen [eiser sub 1] en [gedaagde] ziet in de kern genomen op de overbedeling van [gedaagde] door de toedeling van de werkplaats aan hem tegen de WOZ-waarde daarvan. [eiser sub 1] meent dat de werkplaats tegen de werkelijke (markt)waarde (had) moet(en) worden gewaardeerd en daaromtrent heeft gedwaald. Voor zover zij niet heeft gedwaald is er sprake van een gift die door haar echtgenoot [eiser sub 2] wordt vernietigd. Meer subsidiair vordert ze - wanneer deze vorderingen worden afgewezen - van [gedaagde] een bedrag van € 30.000,00 uit hoofde van onderbedeling.
4.2.
Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat [eiser sub 1] ’s subsidiaire vordering onder I (betaling door [gedaagde] van een bedrag van € 30.000,00) pas aan de orde komt wanneer haar primaire vordering alsook de voorwaardelijke vordering van [eiser sub 2] onder III wordt afgewezen. Haar vordering onder II is pas aan de orde wanneer de vordering van [eiser sub 2] onder III wordt toegewezen. De rechtbank zal de vorderingen in deze volgorde behandelen.
Primair onder I: Vernietiging van de verdeling wegens benadeling voor meer dan een kwart
4.3.
[eiser sub 1] doet primair een beroep op artikel 3:196 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Zij stelt dat de verdeling moet worden vernietigd omdat zij over de waarde van de werkplaats heeft gedwaald en daardoor - gezien de door de makelaar bepaalde verkoopprijs - voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld. Weliswaar staat haar handtekening onder de notariële verdelingsakte, maar zij kende niet de inhoud van de akte. Ze heeft de brieven van de notaris van 20 september 2022 en 19 april 2023 pas in januari 2024 geopend en toen pas kennis heeft genomen van de inhoud daarvan. Bij gelegenheid van de ondertekening van de akte op 7 juli 2023 verkeerde zij in de veronderstelling dat ze enkel tekende voor het gebruik van de werkplaats door [gedaagde] . Ook de in de akte genoemde waarde van € 60.000,00 is niet met haar besproken. Naar aanleiding van het beroep van [gedaagde] op het bepaalde in artikel 3:196 lid 4 BW Pro, inhoudende dat haar vordering tot vernietiging van de verdeling moet worden afgewezen omdat in de akte is opgenomen dat [eiser sub 1] afstand heeft gedaan van de bevoegdheid om vernietiging van de verdeling te vorderen en de toedeling 'te harer bate of schade' heeft aanvaard, heeft [eiser sub 1] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat ook deze bepalingen op grond van dwaling voor vernietiging in aanmerking kunnen komen (HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8444, NJ 2004/75 en HR 22 december 1995, NJ 1996/273) en - zo begrijpt de rechtbank - daarop ook een beroep willen doen. Desgevraagd heeft [eiser sub 1] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling aangegeven dat [gedaagde] onjuiste inlichtingen heeft verstrekt door steeds aan te geven dat ‘alles wel goed zou komen’, en 'door te zwijgen waar hij had moeten spreken', waarmee - zo begrijpt de rechtbank - kennelijk wordt gedoeld op de dwalingsgronden opgenomen in artikel 6:228 lid 1 onder Pro a en b BW (de algemene dwalingsregeling).
4.4.
De rechtbank zal de vordering van [eiser sub 1] tot vernietiging van de verdeling, afwijzen.
4.5.
De rechtbank stelt allereerst vast dat door [eiser sub 1] niet (gemotiveerd) is betwist, en als zodanig ook juist is, dat de afstandsbepalingen in de akte in beginsel het beroep van [gedaagde] op het bepaalde in artikel 3:196 lid 4 BW Pro kunnen dragen. De (in de pleitnota van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ) betrokken stelling dat deze afstandsbepalingen eveneens vernietigbaar zijn wegens dwaling - waaraan de rechtbank bij gelegenheid van de mondelinge behandeling vooralsnog veronderstellende wijs betekenis heeft willen toekennen - vindt geen steun in de in de pleitnota (en hiervoor) genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad. Het arrest van de Hoge Raad dat is gepubliceerd in de NJ 2004/75 betreft een huurzaak en het arrest ook is niet gewezen op 19 december 2003, maar op 5 december 2003. Het arrest is verder ook niet terug te vinden onder ECLI:NL:HR:2003:AL8444. Van meer belang is dat in geen van beide arresten (NJ 2004/75 en ECLI:NL:HR:2003:AL8444) de voorgestane rechtsregel valt aan te treffen. Het arrest dat is gepubliceerd als NJ 1996/273 betreft niet een arrest van de Hoge Raad van 22 december 1995 maar van 8 december 1995: het gaat om een Arubaanse zaak die ziet op de termijn voor het indienen van de memorie van grieven: ook dit arrest heeft geen enkele betekenis voor verdelingskwesties. De rechtbank vermoedt dat de vindplaatsen via ChatGPT of een vergelijkbare zoekmachine zijn opgedoken en zonder controle in de processtukken zijn overgenomen. De door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] betoogde strekking van deze diverse arresten komt overigens ook in strijd met het bepaalde in artikel 6:199 BW Pro, waarin de algemene dwalingsregeling ten aanzien van verdelingen nu juist van toepassing wordt uitgesloten, alsook met wèl bestaande jurisprudentie van de Hoge Raad waarin is geoordeeld dat de uitsluiting in artikel 3:199 BW Pro niet beperkt is tot dwaling over waarde (ECLI:NL:HR:2012:BV3103).
4.6.
De rechtbank komt vervolgens tot het oordeel dat de stelling van [eiser sub 1] dat zij heeft gedwaald over de waarde van de werkplaats door haar onvoldoende is onderbouwd. Goedbeschouwd komen haar stellingen erop neer dat de dwaling feitelijk niet ziet op de in de akte opgenomen WOZ-waarde van € 60.000,- (die als zodanig immers niet is betwist), maar op haar mogelijkheden tot inbreng van een andere waarderingsmaatstaf. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert dat niet als ‘dwaling omtrent de waarde van een of meer der te verdelen goederen’ in de zin van artikel 3:196 lid 1 BW Pro (vgl. HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR2015:1871). Voor zover dat al anders zou zijn staan de afstandsbepalingen aan vernietiging van de verdeling in de weg nu voor de vernietiging daarvan geen voldoende grondslag aanwezig is (de algemene dwalingsregeling is niet van toepassing en het - eventuele - beroep op misbruik van omstandigheden door [gedaagde] is verder niet onderbouwd). Bij dit alles klemt ook dat de notaris [eiser sub 1] nota bene in de beide aan de ondertekening van de akte voorafgaande brieven heeft verzocht om haar wensen aangaande de waardebepaling kenbaar te maken. Dat zij die brieven niet heeft geopend - en wellicht op die grond heeft gedwaald omtrent haar mogelijke inbreng bij de waardebepaling - komt voor haar eigen rekening en risico.
III: Vernietiging van de gift wegens het ontbreken van toestemming
4.7.
Omdat de vordering van [eiser sub 1] die strekt tot vernietiging van de verdeling wordt afgewezen, komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de voorwaardelijke vordering van [eiser sub 2] . Tijdens de mondelinge behandeling is toegelicht dat deze vordering strekt tot vernietiging van de gift die in de verdeling besloten ligt, nu [eiser sub 2] immers de verdeling zelf niet kan vernietigen.
4.8.
Volgens [eiser sub 2] is er sprake van een gift aan [gedaagde] doordat de werkplaats tegen een te lage waarde in de verdeling is betrokken. Omdat hij daar geen toestemming voor heeft gegeven in de zin van artikel 1:88 lid 1 sub b BW Pro, vordert hij vernietiging van de gift. [gedaagde] betwist dat er sprake is van een gift.
4.9.
De rechtbank zal de vordering van [eiser sub 2] afwijzen. Op grond van artikel 1:88 lid 1 sub b BW Pro heeft een echtgenoot toestemming nodig van de andere echtgenoot voor het doen van een gift, tenzij de gift gebruikelijk en niet bovenmatig is. Volgens artikel 7:186 lid 2 BW Pro is een gift 'iedere handeling die ertoe strekt dat degeen die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt'. Het zinsdeel
'ertoe strekt'veronderstelt niet alleen bewustheid van de bevoordeling van de ander, maar ook de wil om de ander te bevoordelen (HR 8 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1715, r.o. 3.2.2.). Uit de stellingen van [eiser sub 1] in deze procedure blijkt echter nu juist dat [eiser sub 1] zich - volgens eigen zeggen - bij de verdeling niet bewust was van het doen van een gift en al helemaal niet de bedoeling had om [gedaagde] te bevoordelen. Daarom ligt er in de verdeling van de werkplaats geen gift aan [gedaagde] besloten en kan de vordering van [eiser sub 2] tot vernietiging ervan niet slagen.
II: Voorwaardelijke vordering tot meewerken aan een taxatie en tot betaling van de helft van de meerwaarde (bij toewijzing van de vordering van [eiser sub 2] )
4.10.
Omdat de vordering van [eiser sub 2] onder III wordt afgewezen en dus aan de voorwaarde bij deze vordering niet is voldaan, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling ervan.
Subsidiair onder I: Betaling van € 30.000,00 met wettelijke rente
4.11.
Tot slot komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de subsidiaire vordering van [eiser sub 1] tot betaling van € 30.000,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 juli 2023. [gedaagde] heeft erkend dat hij dit bedrag aan [eiser sub 1] schuldig is. Hij betwist enkel dat de vordering op 7 juli 2023 opeisbaar is geworden en dat hij sindsdien in verzuim is.
4.12.
De rechtbank zal de vordering van [eiser sub 1] in zoverre toewijzen, dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 30.000,00 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 5 december 2024. In de akte van 7 juli 2023 is - onder het kopje ‘TOEDELING’- bepaald dat thans geen overbedelingssom is verschuldigd. [eiser sub 1] heeft pas per brief van 25 november 2024 aanspraak gemaakt op betaling van een bedrag wegens haar onderbedeling. Omdat [gedaagde] niet binnen de gestelde termijn van tien dagen heeft betaald, is er, aangenomen dat deze vordering daarmee opeisbaar werd (hetgeen door [gedaagde] niet is betwist), vanaf 5 december 2024 sprake van verzuim en verschuldigdheid van wettelijke rente.
Ten aanzien van de proceskosten
4.13.
Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten overeenkomstig artikel 237 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis aan [eiser sub 1] te betalen een bedrag van € 30.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 5 december 2024 tot de dag van volledige betaling;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Kremer en in het openbaar uitgesproken op
19 november 2025.
MGV