Eiser diende een aanvraag in voor vergoeding van aardbevingsschade aan zijn woning, waarop het Instituut Mijnbouwschade Groningen een schadevergoeding toekende. Eiser maakte bezwaar tegen de hoogte van de vergoeding en stelde dat het bewijsvermoeden van mijnbouwschade niet was weerlegd voor diverse schades, waaronder scheuren in tegelvloeren en dakvlakken.
De rechtbank oordeelt dat het Instituut ten onrechte heeft geconcludeerd dat het bewijsvermoeden voor schades aan tegelvloeren (schades 18, 19, 29 en 37) en een dakvlak (schade 14) is weerlegd. De deskundigenrapporten van het Instituut bevatten onvoldoende onderbouwing en inzichtelijke motivering om het bewijsvermoeden te weerleggen, terwijl de stellingen van eiser en zijn deskundige voldoende aannemelijk maken dat de schade door mijnbouwactiviteiten kan zijn veroorzaakt.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor deze schades en bepaalt dat eiser een aanvullende schadevergoeding ontvangt van €6.977,96, te vermeerderen met BTW en wettelijke rente vanaf de datum van de schade. Ook wordt het griffierecht en proceskosten voor de bezwaarprocedure aan eiser toegekend. Het beroep wegens niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk omdat het Instituut inmiddels een besluit op bezwaar heeft genomen.
De herstelkosten worden begroot aan de hand van een calculatiemodel dat het Instituut hanteert en dat ook door eiser is gebruikt, waarbij rekening wordt gehouden met het prijspeil ten tijde van het primaire advies. De rechtbank sluit aan bij de herstelcalculatie van Vergnes en wijst de hogere offerte van Bouwbedrijf Constantin af wegens het abstracte schadevergoedingsrecht. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en inzichtelijke motivering bij het weerleggen van het bewijsvermoeden mijnbouwschade.