Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.[gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 2],
1.De procedure
- de dagvaarding met de producties 1 t/m 15,
- de producties 1 t/m 13 van [gedaagden] ,
- de nadere productie 14 van [gedaagden] ,
- de nadere productie 16 van de Staat,
- de brief van de advocaat van [gedaagden] van 27 februari 2023, houdende overlegging van de volledige reeds ingediende productie 12,
- de mondelinge behandeling van 27 februari 2023, waarbij partijen zijn verschenen en hun standpunten hebben toegelicht. De advocaten van partijen hebben hierbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.
2.De feiten
considerans onder N).
considerans onder N).
considerans onder U).
considerans onder V).
considerans onder BB).
considerans onder CC).
artikel 1 en Pro 3).
artikel 1.9);
artikel 2).
bedoeld is: [gedaagde sub 1]) heeft het recht om tot 1 mei 2022 te blijven wonen in de Boerderij.
nietvervallen door de vaststellingsovereenkomst. Nu cliënten een hoger beroepsprocedure hebben lopen tegen de NAM, waarbij zij onder meer € 1.500.000,- vorderen vanwege geleden materiële schade, zagen zij hiermee een mogelijk budget om de toekomstige plannen toch waar te kunnen maken. Mocht de vordering namelijk worden toegewezen, dan zouden zij hiermee de lening van de Staat der Nederlanden kunnen afbetalen én daarbij een budget hebben voor de overige plannen.
3.Het geschil
4.De beoordeling van het geschil
De kern van de zaak
verplichtom [gedaagden] financieel ondersteuning te bieden op de wijze zoals zij dat hier heeft gedaan, laat staan om akkoord te gaan met de financiële eisen van [gedaagden] De voorzieningenrechter wijst er in dat verband op dat de financiering van de bedrijfsplannen in beginsel het ondernemersrisico van [gedaagden] betreft en dat vooralsnog niet is vast komen te staan dat de onderneming in de Boerderij tot op heden niet is gerealiseerd als gevolg van door aardbevingen aan de Boerderij ontstane schade. Gelet op de uitkomst van de procedure in eerste aanleg van [gedaagden] tegen de NAM over de aardbevingsschade, moet er vooralsnog vanuit worden gegaan dat dit causaal verband niet aanwezig is. De Staat is niet gehouden om schade te vergoeden die (bijvoorbeeld) het gevolg is van bouwkundige gebreken en niet van mijnbouwactiviteiten. [4] Aan het voorgaande kan het door [gedaagden] overgelegde rapport van Strackee niet afdoen. Dit rapport zal in hoger beroep op zijn merites moeten worden beoordeeld tegen de achtergrond van het voorliggende geschil en de reeds uitgebrachte rapportages over de schade aan de Boerderij. Daarop kan nu niet worden vooruitgelopen.
1 mei 2023. Vóór die datum moeten [gedaagden] de Boerderij ontruimen. De voorzieningenrechter gaat er overigens vanuit dat de Staat, zoals zij reeds eerder heeft toegezegd, zich waar nodig zal inspannen om vervangende woonruimte voor [gedaagden] althans één hunner te vinden.
5.BESLISSING
1 mei 2023te ontruimen en te verlaten;