ECLI:NL:RBNNE:2019:1149
Rechtbank Noord-Nederland
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over BPM, hoorplicht en rentevergoeding
De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 4 april 2019 meerdere beroepen tegen uitspraken op bezwaar inzake de belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM). Eiser had bezwaar gemaakt tegen de BPM-aangiften voor vier auto's, waarbij discussie bestond over de waardering en de toepassing van de hoorplicht.
De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden, omdat de gemachtigde van eiser was uitgenodigd en verschenen bij een hoorgesprek, maar had aangegeven niet gehoord te willen worden. Tevens werd geoordeeld dat een ex-huurauto niet gelijk is aan een auto zonder verhuurverleden en dat de waardering door verweerder correct was toegepast.
Wel stelde de rechtbank vast dat verweerder ten onrechte had beslist dat eiser geen recht had op rentevergoeding over de terug te betalen BPM van €118 voor de Audi. Verweerder had erkend dat rente was vergoed, maar dit was niet kenbaar gemaakt aan eiser. Daarom werd het beroep gegrond verklaard voor dit onderdeel en werd de rentevergoeding vastgesteld.
De overige beroepen werden ongegrond verklaard. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiser, inclusief wettelijke rente. De rechtbank wees op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard voor de rentevergoeding over terug te betalen BPM en ongegrond voor de overige punten.