Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2026 in de zaak tussen
Procesverloop
Totstandkoming van het bestreden besluit
Op 1 oktober 2021 is zij in dienst getreden bij [werkgever] In de maanden oktober, november en december 2021 heeft zij daar respectievelijk 121,5, 134 en 128 uur gewerkt. Dat komt neer op een nieuw arbeidsgemiddelde van 127,8 uur per maand vanaf 1 januari 2022. Eiseres werd op 31 januari 2022 ziek. [werkgever] betaalde haar in januari 70% loon uit van haar nieuwe arbeidsomvang. Die was vanwege corona en de lockdown destijds in januari 89,46 uren. Vanaf 1 februari 2022 tot en met 21 april 2022 betaalde [werkgever] enkel nog maar naar de contracturen van 3 uur per week. Hier is het mis gegaan in de dagloonberekening van het UWV. Enkel de 3 uren zijn berekend, maar het gaat om 127,8 uren per maand van januari 2022 tot en met 21 april 2022. De berekening van het WW-dagloon van eiseres hoort bij de maand januari wel op 100% berekend te worden ondanks dat [werkgever] haar voor die maand eenmalig maar 70% heeft uitbetaald.
In oktober 2022 heeft eiseres in verband met het bovenstaande, met behulp van een advocaat, een loonvordering ingediend bij [werkgever] Die vordering heeft geleid tot een schikking. Niet voor 127,8 uur per maand, maar voor 76,13 uur per maand. Het daarmee gemoeide bedrag is in november 2022 betaald. Deze nabetaling had het UWV mee moeten nemen in de berekening van het dagloon, omdat dit loon wel zag op de referteperiode.
Ook de door [werkgever] niet uitbetaalde uren kunnen niet in de dagloonberekening worden betrokken. Dit, omdat eiseres een schikking heeft getroffen over het loon, waardoor hier geen sprake (meer) is van vorderbaar loon. In het verweerschrift heeft het UWV hieraan toegevoegd dat eiseres wat zij bij haar herzieningsverzoek heeft aangevoerd over de loonbetalingen door [werkgever] over de periode van januari tot en met april 2022 (zie rechtsoverweging 2.1) al in een bezwaarprocedure tegen de beslissing van 17 augustus 2022 had kunnen aanvoeren en dat dit ook geldt voor het rechtsvermoeden van arbeidsomvang.
Standpunt in beroep van eiseres
Beoordeling door de rechtbank
Bij aanvullend beroepschrift van 7 oktober 2025 heeft eiseres een brief overgelegd van 13 april 2022 die zij op die dag zowel per post (aangetekend) als per email aan [werkgever] stelt te hebben verzonden. In die brief staat onder meer dat zij in de drie maanden voorafgaande aan de ziekmelding op 31 januari 2022 gemiddeld 109, 33 uur per maand heeft gewerkt, dat [werkgever] eiseres over deze uren ziekengeld dient te betalen, dat eiseres salaris vordert en dat zij verzoekt dat binnen 7 dagen op haar bankrekening over te maken. Volgens eiseres heeft zij [werkgever] hiermee nog binnen de referteperiode op niet mis te verstane wijze gevorderd het loon aan haar uit te keren. Het UWV heeft op het aanvullend beroepschrift van 7 oktober 2025 en de daarmee overgelegde brief van 13 april 2022 in beroep niet schriftelijk gereageerd. Er is alleen op 26 september 2025 een verweerschrift ingediend. Op de zitting bij de rechtbank heeft de gemachtigde van het UWV niet, althans niet uitdrukkelijk, betwist dat de inhoud van de brief van 13 april 2022 aan [werkgever] is op te vatten als een niet mis te verstane aanmaning als bedoeld in de hierboven vermelde rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Dit maakt dat het UWV niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat voor wat betreft de in november 2022 buiten de referteperiode gedane (na)betaling aan eiseres niet is voldaan aan de voorwaarden van het tweede lid van artikel 4 van Pro het Dagloonbesluit. Immers, als geconcludeerd moet worden dat eiseres met de brief van 13 april 2022 haar ex-werkgever op de hierboven bedoelde niet mis te verstane wijze heeft aangemaand vorderbaar loon aan haar uit te keren, dan is die aanmaning al tijdens de referteperiode gedaan en toen niet inbaar gebleken. Dat eiseres de brief van 13 april 2022 eerst in beroep heeft overgelegd brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres bij het onderzoek naar haar herzieningsverzoek en ook in bezwaar door het UWV niet is gevraagd naar het bestaan van een dergelijke aanmaning tijdens de referteperiode.
Omdat de gestelde feiten over de omvang van het dienstverband geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn, dient de rechtbank zich te beperken tot de beoordeling of het evident onredelijk is dat die feiten voor het UWV geen reden zijn geweest om het besluit van 17 augustus 2022, voor wat betreft de hoogte van het dagloon, te herzien.
Uit uw arbeidsovereenkomst blijkt dat u contractueel drie arbeidsuren per week heeft afgesproken met uw (ex-)werkgever. Echter blijkt uit de bij ons bekende gegevens dat u vanaf de aanvang van uw dienstverband al structureel meer uren heeft gewerkt dan contractueel is afgesproken (oktober 133 uren, november 147 uren, december 140 uren, januari 98 uren. Gelet op deze feitelijk gewerkte uren voorafgaand aan uw ziekmelding heeft u op grond van het rechtsvermoeden (artikel 7:610b Burgerlijk Wetboek) een arbeidsomvang van meer dan de contractueel afgesproken drie uur per week. Het rechtsvermoeden zoals het is vastgesteld in het BW is dwingend recht. Dit betekent dat van deze bepaling niet door middel van een collectieve- of individuele arbeidsovereenkomst kan worden afgeweken”. Hierna volgt de vaststelling dat eiseres geen recht heeft op een toeslag. Dit omdat eiseres bij een berekening van het bruto maandsalaris waarop zij voorafgaande aan haar ziekmelding in januari 2022 en met inachtneming van voormeld rechtsvermoeden, recht heeft (€ 59,42 per dag) boven het toetsbedrag van € 36,92 uitkomt.
Uit het bovenstaande blijkt dat het UWV al ten tijde van het besluit van 17 augustus 2022 in de WW-zaak op de hoogte was van de gegevens over de arbeidsomvang van eiseres bij [werkgever] Sterker nog, die gegevens zijn voor het UWV destijds reden geweest voor de afwijzing van de door eiseres verzochte uitkering op grond van de TW. Naar het oordeel van de rechtbank is het onder deze omstandigheden evident onredelijk om de door eiseres gestelde feiten over die arbeidsomvang geen reden te laten zijn om het besluit van 17 augustus 2022 te herzien. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat de financiële gevolgen voor eiseres van het dagloon waarnaar de aan haar per 14 juli 2022 toegekende WW-uitkering is vastgesteld zich ook hebben uitgestrekt tot de aan eiseres per 13 januari 2023 toegekende ZW-uitkering, bij de berekening waarvan het UWV is uitgegaan van het al in het besluit van 17 augustus 2022 vastgestelde WW-dagloon. Dat eiseres tegen het besluit van 17 augustus 2022 geen bezwaar heeft gemaakt brengt de rechtbank, gelet op de kennelijk bij eiseres door het besluit van 18 augustus 2022 in de TW-zaak ontstane verwarring over het standpunt van het UWV over de omvang van haar dienstverband bij [werkgever] , niet tot een ander oordeel.