Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3893

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
HAA 25/2019
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Dagloonbesluit werknemersverzekeringenArt. 7:610b BWArt. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening WW-dagloon na nabetaling en onjuiste loonberekening door UWV

Eiseres was werkzaam bij een werkgever en ontving een WW-uitkering met een vastgesteld dagloon van €50,88. Zij verzocht het UWV om herziening van het dagloon vanwege een nabetaling in november 2022 en onjuiste loonberekening over de periode januari tot april 2022. Het UWV wees dit verzoek af omdat de nabetaling buiten de referteperiode viel en omdat de loonvordering was gesetteld.

De rechtbank oordeelt dat de nabetaling weliswaar buiten de referteperiode viel, maar dat eiseres haar werkgever binnen de referteperiode op niet mis te verstane wijze had aangemaand het loon uit te keren. Het UWV heeft dit niet deugdelijk gemotiveerd en daarmee het besluit onrechtmatig genomen. Daarnaast was het evident onredelijk dat het UWV de feiten over de arbeidsomvang niet als reden nam om het dagloon te herzien, mede gezien de verwarring die ontstond door tegenstrijdige UWV-besluiten.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, wijst het verzoek om schadevergoeding af wegens gebrek aan bewijs van immateriële schade, en draagt het UWV op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden.

Uitkomst: Het bestreden besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen over de herziening van het WW-dagloon.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2019

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats] , eiseres
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. W.M.G. van Nieuwburg).

Procesverloop

1. Met het primaire besluit van 30 september 2024 heeft het UWV aan eiseres medegedeeld niet terug te komen op de beslissing van 17 augustus 2022. Het dagloon van de WW-uitkering van eiseres wordt dan ook niet aangepast.
1.1.
Met het bestreden besluit van 20 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiseres was werkzaam bij [werkgever] Bij besluit van 17 augustus 2022 is aan eiseres per 14 juli 2022 een WW-uitkering toegekend, met een dagloon van € 50,88. Bij de berekening van dat dagloon heeft verweerder het door eiseres over de periode van 1 juni 2021 tot en met 31 mei 2022 (de referteperiode) bij diverse werkgevers genoten loon in aanmerking genomen. Daaronder is ook begrepen het door eiseres bij [werkgever] genoten loon. Eiseres heeft tegen het besluit van 17 augustus 2022 geen bezwaar gemaakt.
2.1.
Bij brieven van 17 juli 2024 en 11 september 2024 heeft eiseres het UWV verzocht het dagloon van de WW-uitkering opnieuw te berekenen. In die brieven heeft zij haar verzoek, samengevat en voor zover voor de beoordeling van het beroep van belang, als volgt toegelicht.
Op 1 oktober 2021 is zij in dienst getreden bij [werkgever] In de maanden oktober, november en december 2021 heeft zij daar respectievelijk 121,5, 134 en 128 uur gewerkt. Dat komt neer op een nieuw arbeidsgemiddelde van 127,8 uur per maand vanaf 1 januari 2022. Eiseres werd op 31 januari 2022 ziek. [werkgever] betaalde haar in januari 70% loon uit van haar nieuwe arbeidsomvang. Die was vanwege corona en de lockdown destijds in januari 89,46 uren. Vanaf 1 februari 2022 tot en met 21 april 2022 betaalde [werkgever] enkel nog maar naar de contracturen van 3 uur per week. Hier is het mis gegaan in de dagloonberekening van het UWV. Enkel de 3 uren zijn berekend, maar het gaat om 127,8 uren per maand van januari 2022 tot en met 21 april 2022. De berekening van het WW-dagloon van eiseres hoort bij de maand januari wel op 100% berekend te worden ondanks dat [werkgever] haar voor die maand eenmalig maar 70% heeft uitbetaald.
In oktober 2022 heeft eiseres in verband met het bovenstaande, met behulp van een advocaat, een loonvordering ingediend bij [werkgever] Die vordering heeft geleid tot een schikking. Niet voor 127,8 uur per maand, maar voor 76,13 uur per maand. Het daarmee gemoeide bedrag is in november 2022 betaald. Deze nabetaling had het UWV mee moeten nemen in de berekening van het dagloon, omdat dit loon wel zag op de referteperiode.
2.2.
In het primaire besluit van 30 september 2024 overweegt het UWV dat nabetalingen buiten de referteperiode niet kunnen worden meegenomen in de dagloonberekening. Het UWV ziet daarom geen aanleiding om terug te komen op de beslissing zoals gegeven op 17 augustus 2022.
2.3.
In het bestreden besluit van 20 maart 2025 overweegt het UWV, samengevat, het volgende. Naar het verzoek om terug te komen op de beslissing van 17 augustus 2022 kan het UWV alleen kijken als er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. De nabetaling die eiseres ontvangen heeft is een nieuw feit, maar kan niet in de berekening van het WW-dagloon worden meegenomen, omdat deze betaling buiten de referteperiode valt. Bij de vaststelling van het WW-dagloon kan, volgens de wet, alleen het loon dat feitelijk in die periode is ontvangen in aanmerking worden genomen. De wet biedt geen mogelijkheid om hiervan af te wijken.
Ook de door [werkgever] niet uitbetaalde uren kunnen niet in de dagloonberekening worden betrokken. Dit, omdat eiseres een schikking heeft getroffen over het loon, waardoor hier geen sprake (meer) is van vorderbaar loon. In het verweerschrift heeft het UWV hieraan toegevoegd dat eiseres wat zij bij haar herzieningsverzoek heeft aangevoerd over de loonbetalingen door [werkgever] over de periode van januari tot en met april 2022 (zie rechtsoverweging 2.1) al in een bezwaarprocedure tegen de beslissing van 17 augustus 2022 had kunnen aanvoeren en dat dit ook geldt voor het rechtsvermoeden van arbeidsomvang.

Standpunt in beroep van eiseres

3. Eiseres voert aan dat het UWV ten onrechte uitgaat van een te laag dagloon. Op grond van artikel 7:610b van het Burgerlijk Wetboek ontstaat een vermoeden van hogere arbeidsomvang bij structureel meerwerk gedurende drie maanden. Voorgaande is door de werkgever later ook gecorrigeerd middels een nabetaling in november 2022. Deze nabetaling had volgens eiseres dan ook moeten worden meegenomen bij de berekening van het dagloon.
3.1.
Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat er onzekerheid bestond over haar loonsituatie door de uitspraken van het UWV die elkaar hebben gekruist. Het UWV had daarom uit moeten gaan van het loon van december 2021 als representatief loon. Dit is volgens eiseres ook representatief loon voor haar werkelijke arbeidsomvang.
3.2.
Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat het door de werkgever uitbetaalde loon in januari van 70% door het UWV ten onrechte niet is omgerekend naar 100% in de dagloonberekening.
3.3.
Eiseres stelt dat zij 2,5 jaar ten onrechte een te laag dagloon heeft ontvangen, omdat het dagloon dat bij haar WW-uitkering is vastgesteld op 17 augustus 2022 later ook is gebruikt voor haar Ziektewetuitkering. Dit heeft geresulteerd in langdurige onderbetaling.
3.4.
Ten slotte verzoekt eiseres om een schadevergoeding voor de financiële en procedurele schade die zij heeft geleden van € 3.000.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank stelt voorop dat het verzoek van eiseres als doel heeft dat het UWV terugkomt van haar oorspronkelijke besluit van 17 augustus 2022, waarin aan eiseres een WW-uitkering is toegekend met een dagloon van € 50,88. Het verzoek is door het UWV terecht aangemerkt als een verzoek om herziening. In de rechtspraak is uitgemaakt dat bij de beoordeling van zo een verzoek door het bestuursorgaan direct getreden moet worden in de vraag of aan dat verzoek nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag liggen. [1]
5. Onder nieuw gebleken feiten of omstandigheden moet worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Indien het bestuursorgaan heeft geoordeeld dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, dat moet het bestuursorgaan beoordelen of dit aanleiding geeft om het oorspronkelijke besluit te herzien.
Indien het bestuursorgaan heeft geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden en de aanvraag afwijst, dan moet de bestuursrechter beoordelen of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op dat standpunt heeft gesteld. Als dat het geval is kan de bestuursrechter toch aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. [2]
Had de (na)betaling van de ex-werkgever in het dagloon betrokken moeten worden?
6. Tussen partijen is niet in geschil dat de (na)betaling van november 2022 moet worden aangemerkt als nieuw feit. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV terecht heeft geoordeeld dat de nabetaling van het loon in november 2022 niet meegenomen kan worden in de beoordeling van het dagloon van eiseres.
6.1.
Zoals volgt uit het eerste lid van artikel 4 van Pro het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (hierna: het Dagloonbesluit) is uitgangspunt bij de vaststelling van het WW-dagloon het loon dat de verzekerde volgens opgave van zijn werkgever in de referteperiode heeft genoten. Het tweede lid van artikel 4 van Pro het Dagloonbesluit maakt hierop een uitzondering, in die zin dat onder loon mede wordt begrepen het loon waarvan de werknemer aantoont dat dit in de referteperiode vorderbaar maar niet tevens inbaar is geworden. Het gaat hierbij om situaties waarin recht op loon bestaat, maar dat loon (nog) niet inbaar is omdat bij de werkgever de wil of het betalingsvermogen ontbreekt om het loon op verzoek van de werknemer uit te betalen. In vaste rechtspraak [3] heeft de CRvB geoordeeld dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van dit artikelonderdeel wordt afgeleid dat de besluitgever toepassing hiervan slechts aangewezen acht in situaties waarin duidelijk is geworden dat de werkgever ondanks vordering niet tot betaling overgaat. Daarbij is voldoende dat een belanghebbende aantoont dat hij tijdens de referteperiode op niet mis te verstane wijze de werkgever heeft gemaand het vorderbare loon aan hem uit te keren. Omdat het om een uitzondering gaat, moet deze bepaling restrictief worden uitgelegd.
6.2.
Niet ter discussie staat dat de referteperiode loopt van 1 juni 2021 tot en met 31 mei 2022, en dat de nabetaling die eiseres heeft ontvangen (in november 2022) buiten deze referteperiode valt. De rechtbank dient te beoordelen of de nabetaling voor het UWV aanleiding geeft om terug te komen van het besluit van 17 augustus 2022.
Bij aanvullend beroepschrift van 7 oktober 2025 heeft eiseres een brief overgelegd van 13 april 2022 die zij op die dag zowel per post (aangetekend) als per email aan [werkgever] stelt te hebben verzonden. In die brief staat onder meer dat zij in de drie maanden voorafgaande aan de ziekmelding op 31 januari 2022 gemiddeld 109, 33 uur per maand heeft gewerkt, dat [werkgever] eiseres over deze uren ziekengeld dient te betalen, dat eiseres salaris vordert en dat zij verzoekt dat binnen 7 dagen op haar bankrekening over te maken. Volgens eiseres heeft zij [werkgever] hiermee nog binnen de referteperiode op niet mis te verstane wijze gevorderd het loon aan haar uit te keren. Het UWV heeft op het aanvullend beroepschrift van 7 oktober 2025 en de daarmee overgelegde brief van 13 april 2022 in beroep niet schriftelijk gereageerd. Er is alleen op 26 september 2025 een verweerschrift ingediend. Op de zitting bij de rechtbank heeft de gemachtigde van het UWV niet, althans niet uitdrukkelijk, betwist dat de inhoud van de brief van 13 april 2022 aan [werkgever] is op te vatten als een niet mis te verstane aanmaning als bedoeld in de hierboven vermelde rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Dit maakt dat het UWV niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat voor wat betreft de in november 2022 buiten de referteperiode gedane (na)betaling aan eiseres niet is voldaan aan de voorwaarden van het tweede lid van artikel 4 van Pro het Dagloonbesluit. Immers, als geconcludeerd moet worden dat eiseres met de brief van 13 april 2022 haar ex-werkgever op de hierboven bedoelde niet mis te verstane wijze heeft aangemaand vorderbaar loon aan haar uit te keren, dan is die aanmaning al tijdens de referteperiode gedaan en toen niet inbaar gebleken. Dat eiseres de brief van 13 april 2022 eerst in beroep heeft overgelegd brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres bij het onderzoek naar haar herzieningsverzoek en ook in bezwaar door het UWV niet is gevraagd naar het bestaan van een dergelijke aanmaning tijdens de referteperiode.
Is er voor het overige aanleiding om het dagloon te herzien?
7. Het verzoek om herziening ziet niet alleen op de (na)betaling van november 2022, maar ook op het standpunt van eiseres dat, gelet op de door haar gestelde feiten over de omvang van het dienstverband bij [werkgever] zoals dat in rechtsoverweging 2.1 is verwoord, het UWV bij de berekening van het WW-dagloon alleen is uitgegaan van het loon dat haar over de maanden januari tot en met april 2022 destijds door [werkgever] is betaald.
7.1.
Met het UWV is de rechtbank van oordeel dat de gestelde feiten over de omvang van het dienstverband van eiseres geen feiten of omstandigheden zijn die ná het besluit van 17 augustus 2022 zijn voorgevallen. Dat betekent dat het feiten of omstandigheden zijn die eiseres al naar voren had kunnen brengen in een bezwaarprocedure tegen het besluit 17 augustus 2022. Eiseres heeft tegen dat besluit echter geen bezwaar gemaakt.
Omdat de gestelde feiten over de omvang van het dienstverband geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn, dient de rechtbank zich te beperken tot de beoordeling of het evident onredelijk is dat die feiten voor het UWV geen reden zijn geweest om het besluit van 17 augustus 2022, voor wat betreft de hoogte van het dagloon, te herzien.
De rechtbank is van oordeel dat dit wel evident onredelijk is en motiveert dat als volgt. Eiseres heeft in haar beroepschrift van 14 april 2025 (onder punt 5) aangevoerd dat besluiten van het UWV elkaar hebben gekruist, waardoor op 17 augustus 2022 geen duidelijkheid bestond over het achterstallig loon. Het primaire besluit van 17 augustus 2022 op haar aanvraag van 28 juli 2022 om een WW-uitkering is op 18 augustus 2022 gevolgd door een besluit op haar bezwaar tegen een besluit van 13 april 2022 over de afwijzing van toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) per 31 januari 2022. In voormeld besluit op bezwaar is besloten dat eiseres geen recht heeft op toeslag omdat zij aanspraak kan maken op loondoorbetaling tijdens ziekte. In datzelfde besluit is door het UWV het volgende overwogen: “
Uit uw arbeidsovereenkomst blijkt dat u contractueel drie arbeidsuren per week heeft afgesproken met uw (ex-)werkgever. Echter blijkt uit de bij ons bekende gegevens dat u vanaf de aanvang van uw dienstverband al structureel meer uren heeft gewerkt dan contractueel is afgesproken (oktober 133 uren, november 147 uren, december 140 uren, januari 98 uren. Gelet op deze feitelijk gewerkte uren voorafgaand aan uw ziekmelding heeft u op grond van het rechtsvermoeden (artikel 7:610b Burgerlijk Wetboek) een arbeidsomvang van meer dan de contractueel afgesproken drie uur per week. Het rechtsvermoeden zoals het is vastgesteld in het BW is dwingend recht. Dit betekent dat van deze bepaling niet door middel van een collectieve- of individuele arbeidsovereenkomst kan worden afgeweken”. Hierna volgt de vaststelling dat eiseres geen recht heeft op een toeslag. Dit omdat eiseres bij een berekening van het bruto maandsalaris waarop zij voorafgaande aan haar ziekmelding in januari 2022 en met inachtneming van voormeld rechtsvermoeden, recht heeft (€ 59,42 per dag) boven het toetsbedrag van € 36,92 uitkomt.
Uit het bovenstaande blijkt dat het UWV al ten tijde van het besluit van 17 augustus 2022 in de WW-zaak op de hoogte was van de gegevens over de arbeidsomvang van eiseres bij [werkgever] Sterker nog, die gegevens zijn voor het UWV destijds reden geweest voor de afwijzing van de door eiseres verzochte uitkering op grond van de TW. Naar het oordeel van de rechtbank is het onder deze omstandigheden evident onredelijk om de door eiseres gestelde feiten over die arbeidsomvang geen reden te laten zijn om het besluit van 17 augustus 2022 te herzien. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat de financiële gevolgen voor eiseres van het dagloon waarnaar de aan haar per 14 juli 2022 toegekende WW-uitkering is vastgesteld zich ook hebben uitgestrekt tot de aan eiseres per 13 januari 2023 toegekende ZW-uitkering, bij de berekening waarvan het UWV is uitgegaan van het al in het besluit van 17 augustus 2022 vastgestelde WW-dagloon. Dat eiseres tegen het besluit van 17 augustus 2022 geen bezwaar heeft gemaakt brengt de rechtbank, gelet op de kennelijk bij eiseres door het besluit van 18 augustus 2022 in de TW-zaak ontstane verwarring over het standpunt van het UWV over de omvang van haar dienstverband bij [werkgever] , niet tot een ander oordeel.
Verzoek om schadevergoeding
8. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt als gevolg van een onrechtmatig besluit. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat sprake is van een onrechtmatig besluit en dat een oorzakelijk verband aanwezig is tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade
8.1.
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af. Eiseres heeft niet met concrete en objectieve bewijsstukken onderbouwd dat sprake is van immateriële schade als gevolg van een onrechtmatig besluit.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op hetgeen overwogen onder rechtsoverweging 6.2 tot en met 7.1 is het beroep gegrond. Het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12 van Pro de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
9.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor zes weken.
9.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 20 maart 2025;
- draagt het UWV op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. N.I. Heijne Makkreel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX3902.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:611.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 20 april 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1425), van 29 september 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:2495) en van 4 januari 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:19).