Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3804

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
HAA-19_3113
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 DWUArt. 7:1a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek rentevergoeding terugbetaalde invoerrechten wegens ontbreken beroepsgerechtigdheid

Eiseres heeft een verzoek om rentevergoeding over terugbetaalde invoerrechten ingediend, dat door verweerder is afgewezen. Eiseres maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank. De rechtbank stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie, die in februari 2024 werden beantwoord.

Tijdens de procedure ontstond discussie over de beroepsgerechtigdheid van eiseres als belanghebbende in de zin van artikel 44 van Pro het Douanewetboek van de Unie. Uit de stukken bleek dat eiseres niet als aangever of indirect vertegenwoordiger was opgetreden en dat de terugbetaalde bedragen niet aantoonbaar in haar hoedanigheid waren ontvangen. Hierdoor ontbrak het aan een rechtstreeks en individueel belang.

De rechtbank oordeelde dat eiseres geen belanghebbende is en daarom geen verzoek om rentevergoeding kan indienen. De afwijzing van het verzoek door verweerder wordt niet vernietigd omdat eiseres geen redelijk belang heeft bij wijziging. Wel werd eiseres een vergoeding van € 5.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase, naast een proceskostenvergoeding en griffierecht.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige douanekamer van de rechtbank Noord-Holland op 3 april 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van beroepsgerechtigdheid, met toekenning van vergoeding voor termijnoverschrijding.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 19/3113

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] LLC, gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(advocaat: mr. ing. B.J.B. Boersma RB)
en

de ontvanger van de Douane, verweerder

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank een verzoek van eiseres om rentevergoeding vanwege terugbetaalde invoerrechten.
Verweerder heeft op 30 april 2019 het verzoek van eiseres om rentevergoeding afgewezen.
Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Op verzoek van eiseres en met instemming van verweerder heeft de rechtbank het bezwaar aangemerkt als rechtstreeks beroep in de zin van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
De rechtbank heeft bij brief van 29 september 2023 de behandeling van het beroep aangehouden in verband met de prejudiciële vragen die de rechtbank Gelderland had gesteld aan het Hof van Justitie. Het Hof van Justitie heeft die vragen bij arrest van op 22 februari 2024 beantwoord [1] . Partijen hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid om schriftelijk te reageren op dit arrest.
Bij brief van 24 juli 2025 heeft de rechtbank eiseres en verweerder uitgenodigd voor de zitting van 16 december 2025. Op 29 september 2025 heeft eiseres de rechtbank verzocht de zaak zonder zitting af te doen. Verweerder heeft zich bij dit verzoek aangesloten. De rechtbank heeft geen gevolg gegeven aan dit verzoek.
Bij brief van 25 november 2025 heeft de rechtbank aan de advocaat vragen gesteld over de identiteit van eiseres en diens beroepsgerechtigheid in de zin van artikel 44 van Pro het Douanewetboek van de Unie (DWU). In de brief heeft de rechtbank de advocaat erop gewezen dat bij het uitblijven van een antwoord de rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen kan maken die haar geraden voorkomen. Op 8 december 2025 heeft eiseres gereageerd op de vragen van de rechtbank.
Op 16 december 2025 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Namens eiseres is verschenen haar advocaat. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam] . De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Op 14 januari 2026 heeft de rechtbank partijen het proces-verbaal van de zitting toegestuurd. Op 22 januari 2026 heeft eiseres nadere gegevens verstrekt. Verweerder heeft hierop gereageerd, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

Ambtshalve

Wie is procespartij?
1. Bij brief van 7 juni 2019 heeft de advocaat namens ‘ [eiseres] ’ rechtstreeks beroep ingesteld tegen de afwijzing van een verzoek om rentevergoeding van verweerder van 30 april 2019. De afwijzing betreft het verzoek om rentevergoeding dat namens ‘ [eiseres] ’ is ingediend. Bij het rechtstreekse beroep heeft de advocaat een machtiging, ondertekend namens ‘ [eiseres] ’, en twee uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel overgelegd. Het eerste uittreksel is van [bedrijfsnaam 1] LLC, van wie een van de handelsnamen ‘ [eiseres] ’ is. Het tweede uittreksel is van ‘ [eiseres] B.V.’ De twee entiteiten zijn gevestigd op hetzelfde adres in [vestigingsplaats] .
2. Bij brief van 25 november 2025 en ter zitting heeft de rechtbank aan de advocaat gevraagd namens welke entiteit hij rechtstreeks beroep heeft ingesteld. Eerst ter zitting heeft de advocaat verklaard dat het gaat om [eiseres] B.V. Verweerder heeft dit niet weersproken.
3. In zijn brief van 22 januari 2026 heeft de advocaat gesteld dat de belanghebbende partij in deze zaak [bedrijfsnaam 1] LLC is. Ter onderbouwing van deze stelling heeft hij gegevens verstrekt over de uitbetalingen van terugbetaalde invoerrechten die verweerder heeft gedaan aan [bedrijfsnaam 1] LLC. Ook heeft hij een afschrift van een beslissing op een verzoek om terugbetaling overgelegd, geadresseerd aan ‘ [bedrijfsnaam 2] B.V. p/a [bedrijfsnaam 1] ’. Verweerder heeft bij e-mail van 27 januari 2026 de inhoud van de brief van de advocaat onderschreven.
4. Voor zover de advocaat met zijn nadere gegevens heeft bedoeld zijn verklaring ter zitting dat hij beroep heeft ingesteld namens [eiseres] B.V. te rectificeren zal de rechtbank de advocaat volgen en het beroep aanmerken als te zijn ingediend namens [bedrijfsnaam 1] LLC.

Feiten

5. Op 30 april 2018 heeft de advocaat een verzoek om vergoeding van rente ingediend bij verweerder, met de volgende bewoordingen:
“(…) [eiseres] (…) verzocht mij haar belangen te behartigen. Een volmacht, alsmede een uittreksel uit het handelsregister voeg ik bij (…).
[eiseres] heeft namens aangever [belanghebbende] , in deze ook de feitelijk belanghebbende, hierna aangeduid als “Belanghebbende”, 103 verzoeken om terugbetaling ingediend bij de inspecteur van de Nederlandse douane. Deze verzoeken zagen op de onjuiste classificatie op de invoeraangiften van “op afstand bedienbare modelauto’s”
(…)
Middels deze brief, op te vatten als een formeel verzoek, dien ik namens Belanghebbende het verzoek in, en voor zover nodig vorder ik, met betrekking tot de in de toelichting genoemde transacties en terugbetaalde bedragen dat de inspecteur overgaat tot vergoeding van rente (…)”
6. Bij beschikking van 30 april 2019 heeft verweerder het verzoek afgewezen. De beschikking was geadresseerd aan (een collega van) de advocaat en had betrekking op het namens eiseres ingediende verzoek om rentevergoeding. Tegen deze beschikking heeft eiseres rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.
7. Tijdens de mondelinge behandeling op 16 december 2025 is de vraag aan de orde geweest of eiseres belanghebbende is in de zin van artikel 44 van Pro het DWU. De rechtbank heeft aan verweerder gevraagd om aan de rechtbank te verstrekken:
- het verzoek om terugbetaling,
- de beslissing op het verzoek van de Douane,
- en de volmacht van [belanghebbende] aan eiseres ten aanzien van het verzoek om terugbetaling.
8. Eiseres heeft bij brief van 22 januari 2026 als nadere informatie onder meer verstrekt:
- gegevens over uitbetalingen door verweerder op de bankrekening van eiseres, en
- een afschrift van een beslissing op een verzoek om terugbetaling van [bedrijfsnaam 2] B.V.
Daarbij heeft eiseres opgemerkt dat het feit dat alle bedragen aan de LLC zijn terugbetaald, erop duidt dat sprake is van betrokkenheid bij de aangiften en wel in indirecte vertegenwoordiging en dat wanneer de LLC als indirect vertegenwoordiger in eigen naam aangiften heeft gedaan, zij gerechtigd is om terugbetalingsverzoeken in te dienen. Verweerder heeft de rechtbank bericht dat hij instemt met de inhoud van de brief van eiseres.

Beoordeling van het geschil

9. Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht het verzoek om rentevergoeding van eiseres heeft afgewezen. Partijen houdt verdeeld of het Communautair Douanewetboek (CDW) en het DWU ruimte bieden voor het vergoeden van rente over de terugbetaalde invoerrechten. De rechtbank ziet zich echter eerst ambtshalve geplaatst voor de vraag of eiseres beroepsgerechtigd is in de zin van artikel 44 van Pro het DWU.
10. Uit de gegevens die eiseres op 22 januari 2026 heeft verstrekt blijkt dat aan het verzoek om rentevergoeding dat eiseres op 30 april 2018 heeft ingediend meerdere beslissingen op verzoeken om terugbetaling ten grondslag liggen. Eiseres heeft één beslissing aan de rechtbank verstrekt. Het betreft de hiervoor onder 3 genoemde beslissing van de inspecteur van de Douane van 14 november 2017, die is gericht aan ‘ [bedrijfsnaam 2] B.V. p/a [bedrijfsnaam 1] ’. In de beoordeling van het verzoek om terugbetaling overweegt de inspecteur onder meer als volgt:
“(…) Voor de aangiften gedaan namens [belanghebbende] te [stad] in [land] in indirecte vertegenwoordiging door [bedrijf] B.V., welke u heeft gemachtigd om namens hen op te treden, heeft u verzoeken om terugbetaling ingediend. Het betreft aangiften gedaan in de jaren 2014, 2015 en 2016 (…)
Het volgende bedrag zal aan [eiseres] (…) worden terugbetaald dan wel kwijtgescholden (…)”
11. Anders dan eiseres in haar brief van 22 januari 2026 heeft gesteld, is zij niet opgetreden als aangever of als (in)direct vertegenwoordiger. De beslissing van de inspecteur is niet anders te begrijpen dan dat [belanghebbende] de aangever was en [bedrijf] B.V. de indirect vertegenwoordiger. Dit betekent dat [belanghebbende] en [bedrijf] door de beslissing van 14 november 2017 rechtstreeks en individueel geraakt zijn in de zin van artikel 44 van Pro het DWU. De beslissing is gericht aan Morrison Nederland B.V., die blijkens de hiervoor genoemde overweging van de inspecteur gemachtigd was op te treden namens [belanghebbende] en/of [bedrijf] .
Uit de beslissing van de inspecteur blijkt niet dat eiseres, als aangever of indirect vertegenwoordiger, rechtstreeks en individueel geraakt is door de uitnodigingen tot betaling en dus ook niet dat zij belanghebbende is in de zin van artikel 44 van Pro het DWU bij het verzoek om vergoeding van rente vanwege terugbetaalde invoerrechten. Van een machtiging van eiseres om inzake vergoeding van deze rente voor een belanghebbende op te treden, is niet gebleken.
12. De omstandigheid dat de terugbetaalde bedragen aan douanerechten aan eiseres zijn uitbetaald is onvoldoende om haar reeds daarom aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 44 van Pro het DWU, nu niet is gebleken in welke hoedanigheid zij die bedragen heeft ontvangen [2] . Hierdoor kan ook niet worden gesteld dat zij de justitiabele is die verliezen heeft geleden in de zin van r.o. 21 van het Irimie-arrest [3] .
13. Omdat eiseres geen belanghebbende is, kan zij ook niet met recht een verzoek om rentevergoeding doen ter zake van de terugbetaalde invoerrechten. Gelet hierop heeft verweerder haar verzoek om rentevergoeding ten onrechte inhoudelijk afgewezen op grond van het ontbreken van strijd met het Unierecht. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de afwijzing. Eiseres heeft geen redelijk belang bij een wijziging van de beslissing van verweerder van een inhoudelijke afwijzing naar een afwijzing omdat eiseres geen belanghebbende is [4] .

Conclusie

14. Gelet op bovenstaande dient het beroep van eiseres ongegrond te worden verklaard.
Vergoeding immateriële schade
15. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn.
16. De redelijke termijn is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder op 7 juni 2019 en is geëindigd met de uitspraak van de rechtbank op
24 maart 2026. De redelijke termijn van twee jaar (voor de bezwaar- en beroepsfase) is dus overschreden met 58 (82 -/- 24) maanden. Hoewel de rechtbank het beroep heeft aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen van de rechtbank Gelderland en verweerder moeilijk bereikbaar is geweest voor de rechtbank, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om de redelijke termijn te verlengen, zodat aan eiseres een vergoeding van immateriële schade toekomt van € 5.000. De termijnoverschrijding is volledig toe te rekenen aan de beroepsfase. Gelet hierop zal de rechtbank de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot het betalen van de schadevergoeding.
Proceskosten en griffierecht
17. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op afgerond € 233,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25), nu de proceskostenvergoeding uitsluitend wordt toegekend vanwege de vergoeding van door eiseres geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
18. Eiseres heeft haar verzoek om vergoeding van immateriële schade ingediend op 7 juni 2019. Dit is voor de datum van het arrest van de Hoge Raad op 31 mei 2024. Op 31 mei 2024 was de redelijke termijn al overschreden. Daarom bestaat op grond van het door de Hoge Raad gecreëerde overgangsrecht [5] recht op vergoeding van het griffierecht. Aan eiseres zal dus ook het griffierecht van € 345 worden vergoed.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade vastgesteld op een bedrag van € 5.000;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van het griffierecht voor een bedrag van € 345.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.C. Schipper, voorzitter, en mr. C.A. Schreuder en mr. C.M. van Wechem, leden in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie C-674/22 van 22 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:147.
2.Vgl. Hoge Raad 1 december 2006, 40231, ECLI:NL:HR:2006:AR4027, r.o. 4 en Hoge Raad 24 november 2023, 21/03894, ECLI:NL:HR:2023:1626, r.o. 4.3 en 4.6.
3.Hof van Justitie 18 april 2013, C-565/11, ECLI:EU:C:2013:250.
4.Vgl Hoge Raad 8 juli 2022, 21/04695, ECLI:NL:HR:2022:1033, r.o. 3.3 en 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:238, r.o. 4.1.5.
5.Zie het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, overweging 7.1.2.