ECLI:NL:RBNHO:2026:2067

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
25/1915
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:9 AwbArt. 5:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 6 EVRMArt. 3:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurlijke boetes wegens illegale toeristische verhuur deels gematigd wegens evenredigheid en termijnoverschrijding

Eisers kregen bestuurlijke boetes opgelegd wegens illegale toeristische verhuur van een sociale huurwoning in Haarlem. Zij voerden aan dat het college hen ten onrechte niet opnieuw heeft gehoord, dat eiseres niet als overtreder aangemerkt mocht worden en dat de boetes gematigd moesten worden.

De rechtbank oordeelt dat het college niet verplicht was eisers opnieuw te horen omdat het advies van de gemeentelijke afdeling VTH onderdeel was van het interne besluitvormingsproces. Hoewel eiseres aanvankelijk betwistte overtreder te zijn, concludeert de rechtbank op basis van verklaringen en bewijs dat zij samen met eiser een actieve rol had bij de verhuur.

De rechtbank vindt de opgelegde boetes onevenredig hoog gezien de korte duur van de overtreding, het beperkte effect op de woningvoorraad en het feit dat de woning inmiddels is ontruimd. Daarom matigt zij de boetes van €10.000 naar €5.000. Daarnaast wordt vanwege overschrijding van de redelijke termijn de boete verder verlaagd tot €4.750 per persoon.

Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de boetes herzien. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.

Uitkomst: De bestuurlijke boetes worden gematigd tot €4.750 per eiser wegens evenredigheid en overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/1915

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2026 in de zaak tussen

1. [eiseres]uit Haarlem, eiseres,
2. [eiser]uit Haarlem, eiser
(gemachtigde: mr. M.N. Mense),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem

(gemachtigden: mr. B.N. Deun en mr. A. Kamphuis).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eisers opgelegde bestuurlijke boetes. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Ten eerste stellen eisers dat het college hen ten onrechte niet opnieuw heeft gehoord. Ten tweede stelt eiseres dat zij ten onrechte als overtreder is aangemerkt. Tot slot voeren eisers aan dat het college de boetes had moeten matigen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de opgelegde bestuurlijke boetes.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eisers niet opnieuw hoefde te horen. Eisers zijn beiden overtreder, maar er is wel reden tot matiging van de boetes in verband met de evenredigheid. Daarnaast worden de boetes verder gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Eisers krijgen dus deels gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 4 maart 2025 op het bezwaar van eisers is het college onder aanpassing van de motivering bij het opleggen van de bestuurlijke boetes gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden en het bestreden besluit
3. Eiseres is de dochter van [naam] en de moeder van eiser. [naam] huurde sinds 13 februari 2023 een sociale huurwoning aan de [adres] in Haarlem. Eisers stellen dat zij daar enkele maanden heeft verbleven, voordat zij wegens haar gezondheid bij eisers haar intrek nam. Begin augustus 2023 is [naam] voor drie maanden naar het buitenland gereisd. Na terugkeer is [naam] weer bij eisers ingetrokken, aldus eisers.
3.1.
Naar aanleiding van een melding heeft het college onderzocht of de woning via Airbnb werd aangeboden en werd verhuurd voor toeristische doeleinden. De onderzoeken bestonden uit een administratief onderzoek, een online onderzoek en een onderzoek ter plaatse. Op basis hiervan heeft het college geconcludeerd dat de regels voor toeristische verhuur van woningen zijn overtreden.
3.2.
Op 6 oktober 2023 heeft het college aan eisers afzonderlijk kenbaar gemaakt voornemens te zijn een bestuurlijke boete op te leggen. Op 10 oktober 2023 heeft het college het voornemen gericht tot eiser gecorrigeerd. Eisers hebben beiden hun zienswijze kenbaar gemaakt.
3.3.
Bij vonnis van 15 december 2023 heeft de kantonrechter [naam] veroordeeld de woning te ontruimen, te verlaten en ter beschikking te stellen aan de verhuurder, Stichting Elan Wonen. [1]
3.4.
Bij besluit van 21 december 2023 heeft het college afzonderlijk aan eiser en eiseres een bestuurlijke boete opgelegd. Zij moesten elk binnen zes weken een bedrag van € 10.000,- voldoen wegens overtreding van de registratie- en meldingsplicht en de regeling die bepaalt dat woningen maximaal 30 nachten per jaar verhuurd mogen worden aan toeristen. [2] Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
3.5.
Op 10 december 2024 heeft de commissie bezwaarschriften aan het college advies uitgebracht in het kader van de opgelegde bestuurlijke boetes aan eisers.
3.6.
Op 14 januari 2025 heeft de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving (VTH) van de gemeente Haarlem een contrair advies uitgebracht.
3.7.
Met het bestreden besluit heeft het college onder aanpassing van de motivering de besluiten van 21 december 2023 in stand gelaten. Met dit bestreden besluit is het college deels afgeweken van het advies van de commissie. Het college besluit – samengevat – om het advies van de commissie te volgen voor zover het de onverbindendheid van de boetetabel van de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond: Haarlem 2022 betreft. Voor zover de commissie het standpunt inneemt dat eiser de overtredingen heeft begaan, volgt het college dit standpunt met toevoeging van de nadere motivering van de afdeling VTH. Het standpunt van de commissie dat er voor eiseres geen gedragen bewijs is voor de drie geconstateerde overtredingen neemt het college niet over. Hiervoor verwijst het college naar de motivering van de afdeling VTH. Ook het advies om de boete voor eiser niet te matigen neemt het college over van de afdeling VTH en acht het college ook van toepassing op eiseres. Voor de toepassing van de hardheidsclausule ziet het college geen aanleiding, aangezien deze volgens het college alleen geldt voor aanvragers.
Omvang van het geschil
4. Dat overtredingen zijn begaan, wordt niet door eisers betwist. De rechtbank begrijpt uit het beroepschrift en de toelichting op zitting dat eiser de overtredingen erkent en daarmee ook het overtrederschap. Eiseres bestrijdt echter wel dat zij overtreder is. Beiden betogen dat de opgelegde boetes in ieder geval gematigd moeten worden.
Heeft het college eisers opnieuw moeten horen?
5. Eisers betogen dat het college in strijd met artikel 7:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehandeld, door hen niet in de gelegenheid te stellen om te reageren op het advies van de afdeling VTH. Dit advies is na de hoorzitting tot stand gekomen en is in wezen door het college aan zichzelf uitgebracht. Dit advies wordt in het bestreden besluit gebruikt als motivering tegen het advies van de commissie. Het advies is daarmee van aanmerkelijk belang geweest voor de beslissing op bezwaar. Voor het nemen van het bestreden besluit hebben eisers geen kennis kunnen nemen van dit advies en zijn zij hier ook niet over gehoord. Dit is een grof verzuim, waardoor het bestreden besluit zowel onzorgvuldig als onrechtmatig is.
5.1.
Uit artikel 7:9 van Pro de Awb volgt dat wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden wordt meegedeeld en zij in de gelegenheid worden gesteld daarover te worden gehoord.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college niet in strijd met artikel 7:9 van Pro de Awb heeft gehandeld door eisers niet opnieuw te horen. Het advies waar eisers naar verwijzen is een advies van een gemeentelijke afdeling en hoort daarmee bij het interne denkproces van het college. Artikel 7:9 van Pro de Awb is niet van toepassing in zulke gevallen. Uit de formulering van het wetsartikel volgt immers dat het moet gaan om feiten of omstandigheden die aan het bestuursorgaan bekend worden, hetgeen duidt op feiten en omstandigheden die buiten het bestuursorgaan liggen.
Heeft het college eiseres ten onrechte als overtreder aangemerkt?
6. Eiseres voert aan dat zij niet als overtreder is aan te merken. Het college moet niet alleen de feitelijke betrokkenheid van eiseres aantonen, maar ook dat zij als medepleger is aan te merken. [3] Dit heeft het college niet gedaan. Wat de door het college opgevoerde bewijsmiddelen betreft, is ten eerste van belang dat de voornaam van eiseres slechts in één recensie wordt genoemd. Dit is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat eiseres medepleger is. De voornaam van eiseres komt namelijk in de vrienden- en kennissenkring van eisers veel voor. Ten tweede volgt uit de verklaring van een buurman niet dat de ‘mevrouw van ongeveer 60 jaar’ toegang tot de woning verleende of betrokken is geweest bij de verhuur. Ten derde levert het vonnis van de kantonrechter geen zelfstandig bewijs op. Eisers zijn daarnaast ook geen partij geweest bij die zaak. Daarbij miskent het college ook dat onder rechtsoverweging 3.4 van het vonnis slechts het standpunt van de verhuurder is weergegeven. Ten vierde volgt uit de zienswijze van eiseres niet dat eiser haar sleutel had gestolen. Zij heeft verklaard dat eiser over zijn eigen sleutel beschikte om het gebruikelijke beheer bij afwezigheid van een bewoner uit te kunnen voeren, maar dat hij ook buiten haar medeweten andere dingen is gaan doen in de woning. Eiseres heeft niets aanvaard. Het college heeft het aanvaardingscriterium onjuist toegepast. Voor zover het college zich op het standpunt stelt dat eiseres actief toezicht had moeten houden, verzuimt het tot slot uiteen te zetten waarop die verplichting zou zijn gegrond en hoe dat leidt tot functioneel (mede)daderschap. Het college legt niet uit hoe het feit dat eisers destijds op hetzelfde adres woonden noodzakelijkerwijs betekent dat eiseres bekend zou moeten zijn geweest met de activiteiten van eiser op een ander adres. Het college heeft daarom niet kunnen bewijzen dat eiseres de overtredingen heeft begaan en/of zou hebben aanvaard dat eiser die zou begaan.
6.1.
De rechtbank merkt op dat het college eiseres niet alleen als functioneel dader aanmerkt, maar zoals op zitting toegelicht haar ook verwijt een actieve rol te hebben gehad. De rechtbank is van oordeel dat eiseres, naast eiser, inderdaad overtreder is. Hierbij is het volgende van belang. Ten eerste worden de voornamen van eiseres en haar dochter samen in een recensie van de woning op Airbnb genoemd als de namen van de verhuurders. Gelet op de combinatie is aannemelijk dat het hier om eiseres en haar dochter gaat en is niet geloofwaardig dat, zoals eisers ter zitting hebben verklaard, het hier vriendinnen van hen betreft. Eisers hebben ook niet geconcretiseerd wie die vriendinnen zouden zijn. Ten tweede volgt uit verklaringen van buren van twee verschillende adressen tegenover toezichthouders van het college dat zij vaak een vrouw bij het appartement hebben gezien, die daar maar steeds kort aanwezig was. De (fysieke) beschrijvingen die de buren van haar gaven komen overeen met die van eiseres. Ook is vermeld dat een jongere vrouw vaak kort in de woning kwam, hetgeen eveneens ondersteunt dat de in de recensie vermelde voornamen eiseres en haar dochter betreffen. Een van de verklaringen houdt ook in dat de vrouw die aan de beschrijving van eiseres voldoet meermalen samen met een jongere man de woning heeft bezocht, hetgeen wijst op eiser. De verklaringen maken tevens melding van de aanwezigheid van veel wisselende huurders en zien kennelijk op de periode waarin de overtredingen zijn begaan en op bezoeken die eiseres, haar dochter en eiser tussen de aanwezigheid van de huurders door hebben gebracht. Ten slotte is van belang dat eiseres destijds op hetzelfde adres als eiser woonde. Alle omstandigheden en overgelegde bewijsstukken samen bezien kan de rechtbank het standpunt van het college volgen dat eiseres een actieve rol heeft gehad bij de toeristische verhuur van de woning.
Heeft het college de bestuurlijke boetes moeten matigen?
7. Eisers betogen dat het bestreden besluit onevenredig is. Uit de overwegingen van het college blijkt niet welk belang is gediend met meerdere meldingen. Met een eenmalige registratie en melding zou zijn voldaan aan het betreffende voorschrift. Ten aanzien van de overtredingen motiveert het college de beslissing op bezwaar met gelijkluidende generieke overwegingen. Het college miskent dat eisers niet de huurders zijn van de woning. De woning zou daarnaast niet vrij zijn gekomen voor een andere huurder als de tijdelijke verhuuractiviteiten zouden eindigen. Ook is geen sprake van druk op de woningmarkt die vergroot zou zijn door toeristische verhuur. [naam] zou namelijk na terugkeer haar intrek weer nemen in de woning. Daarnaast miskent het college dat besluiten over bestuurlijke boetes niet worden gepubliceerd. Dat het niet opleggen van de maximale boete een verkeerd signaal zou afgeven en anderen aan zou kunnen moedigen om soortgelijke overtredingen te begaan is daarom niet aan de orde. Daarnaast is de beoordeling van de evenredigheid innerlijk tegenstrijdig. Aan de ene kant verklaart het college de boetetabel onverbindend, omdat deze niet gedifferentieerd is, maar aan de andere kant legt het voor iedere overtreding de maximale boete op. Onduidelijk is waarom aan alle betrokkenen (eiser, eiseres, de dochter van eiseres en de moeder van eiseres) de maximale boete is opgelegd. Het gaat om eerste overtredingen. Eiser heeft de activiteiten direct gestaakt toen hij erachter kwam dat sprake was van overtredingen. Toeristische verhuur van een met voorrang toegewezen sociale huurwoning is niet langer mogelijk, want de woning is ontruimd. Eisers stellen verder dat omwonenden geen overlast hebben ervaren door de verhuur. Tot slot geven eisers aan dat de gang van zaken rondom de ontruiming hen heeft geraakt en dat daar negatieve gevolgen aan zijn verbonden.
7.1.
Op grond van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb moet de rechtbank de bestuurlijke boetes zonder terughoudendheid toetsen met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. [4] Het college heeft de boetetabel van de Huisvestingsverordening onverbindend geacht. De rechtbank kan dit volgen, gelet op recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin de boetetabel van de huisvestingsverordening van Amsterdam onverbindend is verklaard wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Die boetetabel was, net zoals de Haarlemse boetetabel, op meerdere punten niet gedifferentieerd. [5] In dit geval toetst de rechtbank daarom aan de maatstaf van artikel 5:46, tweede lid, omdat de hoogte van de boetes niet wettelijk is gefixeerd. Het is aan het college om de hoogte van de bestuurlijke boetes af te stemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
7.2.
De rechtbank ziet reden om de boetes te matigen. Hierbij is het volgende van belang. Het standpunt van het college dat een overtreding ten aanzien van een sociale huurwoning op zichzelf ernstig is, is te volgen, gelet op de schaarse voorraad sociale huurwoningen en het grote belang bij de beschikbaarheid van zulke woningen. Daar staat wel tegenover dat de overtreding kort heeft geduurd doordat de woning uiteindelijk slechts twee nachten aantoonbaar te veel is verhuurd. Daarnaast is de schade voor de sociale woningmarkt beperkt gebleven, reeds omdat de woning door de ontruiming spoedig weer is vrijgekomen. Aan de andere kant is van belang dat duizenden euro’s zijn verdiend met de toeristische verhuur van de woning en dat eisers beiden een actieve rol hebben gespeeld bij de verhuur. Gelet op de duur van de overtredingen en de beperkte gevolgen voor de woningvoorraad acht de rechtbank boetes van € 5.000,- passend en geboden.
Hebben eisers recht op matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn?
8. De rechtbank beoordeelt in punitieve zaken ambtshalve of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden. [6] Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de rechtbank een zaak niet binnen een redelijke termijn behandelt, als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is begonnen uitspraak doet. [7] In deze termijn is de duur van een eventuele bezwaarfase inbegrepen. De termijn begint op het moment waarop een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat een bestuurlijke boete wordt opgelegd. [8]
8.1.
In dit geval is de redelijke termijn begonnen met de voornemens tot boeteoplegging op 6 oktober 2023. Dit betekent dat de redelijke termijn in beide gevallen is overschreden met minder dan een half jaar.
8.2.
Volgens vaste rechtspraak wordt bij een overschrijding van de redelijke termijn met minder dan zes maanden in punitieve zaken de boete in beginsel gematigd met 5% per half jaar met een maximum van € 2.500,-. [9] Dit vindt plaats na de matiging die de rechtbank in het kader van de evenredigheid al passend en geboden acht. Met een matiging van 5% komen beide boetes uit op € 4.750,-.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing door de besluiten van 21 december 2023 ten aanzien van de hoogte van de boetes te herroepen en door beide boetes vast te stellen op € 4.750,-.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Eisers hebben ook in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 3.200,- omdat de gemachtigde van eisers als beroepsmatige rechtsbijstandverlener een bezwaar- en beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting en hoorzitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 4 maart 2025;
- herroept de besluiten van 21 december 2023 ten aanzien van de hoogte van de boetes;
- stelt de boete voor eiser vast op € 4.750,-;
- stelt de boete voor eiseres vast op € 4.750,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G. Dankerlui, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie het vonnis van 15 december 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:14253.
2.Oftewel boetes van € 2.500, € 2.500 en € 5.000 wegens overtreding van respectievelijk artikel 3.3.2, artikel 3.3.3, tweede lid, en artikel 3.3.3, eerste lid, van de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond: Haarlem 2022, overeenkomstig de in artikel 4.1.1, tweede lid, opgenomen tabel.
3.In de zin van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1o, van het Wetboek van Strafrecht.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:592, r.o. 5.1, en 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:170, r.o. 5.1.
5.Zie de uitspraken van de Afdeling van 21 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3416, 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3783, en 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4087.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4761.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, en 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1165.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:108, 18 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3203, en 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:960.
9.Zie het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, en de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4281.