Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 januari 2026 in de zaken tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
,ECLI:NL:HR:2003:AD9713 en Hoge Raad 3 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN3831). De rechtbank is van oordeel dat van dit laatste geen sprake is, nu verweerder dit standpunt in het verweerschrift heeft ingenomen, dit gebaseerd is op dezelfde onderliggende feiten, namelijk het aanhouden van buitenlandse bankrekeningen waarvan eiser erkend heeft daarover kon beschikken, en eiser de gelegenheid heeft gehad op dit standpunt te reageren, hetgeen hij niet gedaan heeft.
Beslissing
- verklaart de beroepen met zaaknummers HAA 24/4114 tot en met HAA 24/4116, HAA 24/4118, HAA 24/4119 en het beroep met zaaknummer HAA 24/3417 gegrond;
- verklaart de beroepen met zaaknummers HAA 24/3415 en HAA 24/3416 ongegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar in de beroepen met zaaknummers HAA 24/4114 tot en met HAA 24/4116, HAA 24/4118 en HAA 24/4119, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde vergrijpboetes en handhaaft deze voor het overige;
- vermindert de vergrijpboetes tot de navolgende bedragen: HAA 24/4114 € 366, HAA 24/4115 € 314, HAA 24/4116 € 300, HAA 24/4118 € 247 en HAA 24/4119
- vernietigt de uitspraak op bezwaar in de zaak met zaaknummer HAA 24/3417 en vermindert de aanslag, de belastingrente en de vergrijpboete overeenkomstig de verminderingsbeschikking van 28 oktober 2024;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde (gedeeltes van de) uitspraken op bezwaar;
- gelast verweerder het betaalde griffierecht van in totaal €102 aan eiser te vergoeden.