Overwegingen
1. Eiser is gerechtigd geweest tot de volgende rekeningen in Zwitserland en Luxemburg:
Bank
Rekeningnummer
[Bank 1]
[# 1]
[Bank 2]
[# 2]
[Bank 2]
[# 3]
[Bank 2]
[# 4]
[Bank 2]
[# 5]
2. De rekeningen met nummers [# 2] , [# 3] en [# 5]
stonden op naam van [bedrijf 1] Limited respectievelijk [bedrijf 2]
en [bedrijf 3] Limited . Bij e-mail van 12 oktober 2017 aan verweerder heeft de (destijds) gemachtigde van eiser hierover geschreven:
‘In Luxemburg hield belanghebbende rekeningen aan bij [Bank 2] en [Bank 2] waarbij, na afschaffing van de nummerrekeningen, zogeheten plankvennootschappen zijn gebruikt voor de tenaamstelling van de Luxemburgse rekeningen (het door u genoemde [bedrijf 3] Limited en [bedrijf 1] die, naar belanghebbende zich meent te herinneren, (destijds) [vestigingsplaats] gevestigd waren). Behoudens de tenaamstelling zijn deze vennootschappen belanghebbende overigens niet van nut geweest. Om dat de afstand van Nederland tot Luxemburg kleiner is dan die tot Zwitserland heeft belanghebbende soms geld uit Zwitserland naar Luxemburg over laten boeken om het vervolgens aldaar contant op te nemen.’
In de brief van 5 maart 2018 van de (destijds) gemachtigde van eiser staat over deze vennootschappen:
‘Voor zover belanghebbende bekend, zijn voor deze vennootschappen geen
jaarrekeningen opgemaakt en is hij de enige bestuurder en aandeelhouder
geweest. Belanghebbende heeft in zijn hoedanigheid van bestuurder niet met
zichzelf gecorrespondeerd.’
3. De rekeningen hadden de volgende saldi:
Peildatum
[# 1] (€)
[# 2] (€)
[# 3] (€)
[# 4] (€)
[# 5]
(€)
Totaal (€)
2010
147.26
39.547
5.792
42.734
27.745
262.808
2011
110.582
47.584
5.524
48.543
32.214
244.447
2012
109.489
37.88
4.81
46.952
14.87
214.001
2013
84.606
36.466
4.074
47.325
21.018
193.489
2014
46.71
24
89.311
19.931
155.976
4. In 2013 en 2014 zijn alle rekeningen gesloten, waarbij de saldi contant zijn opgenomen. Het saldo van de rekening bij [Bank 1] heeft eiser via een rechtspersoon uit [land] ( [bedrijf 4] Limited ) overgeboekt naar de rekening met nummer [# 6] . Eiser heeft verklaard dat hij vreesde dat bij een rechtstreekse overboeking naar Nederland de rekening bij [Bank 1] zichtbaar zou worden voor de Belastingdienst.
5. Op 9 december 2015 ontving verweerder een melding vrijwillige verbetering, waarin namens eiser melding werd gemaakt van niet-aangegeven vermogen in het buitenland
6. Bij schrijven met dagtekening 17 december 2015 heeft verweerder aan eiser nadere vragen gesteld en daarbij verzocht om onderbouwende stukken toe te sturen.
7. Op 18 juli 2018 geeft verweerder een informatiebeschikking af voor de jaren 2006 tot en met 2017. Eiser heeft bezwaar tegen de informatiebeschikking gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 26 maart 2020 heeft verweerder genoemd:
De Belastingjaren 2010 tot en met 2017
De informatiebeschikking heeft eveneens betrekking op de jaren 2010 tot en met
2017. De onderstaande vragen zijn tot op heden niet of onvoldoende beantwoord.
“1. Een specificatie van alle opbrengsten van uw cliënt, uitgesplitst per jaar en per opdrachtgever;
2. Alle facturen ten aanzien van de door uw cliënt verrichte werkzaamheden;
3. Een overzicht van alle opdrachtgevers (naam, adres en woon/vestigingsplaats);
4. Op welke rekeningen werden de betalingen van de opdrachtgevers aan uw cliënt gestort? Ik verzoek u de onderliggende banktransacties toe te zenden.
Doordat deze vragen niet of onvoldoende zijn beantwoord, stel ik dat sprake is
van omkering en verzwaring van de bewijslast op grond van artikel 25, lid 3, AWR
en artikel 27e, lid 1, AWR. De inspecteur is naar mijn mening voldoende
meewerkend geweest.”
Tegen deze uitspraak is geen beroep ingesteld zodat de informatiebeschikking in zoverre onherroepelijk is geworden.
8. Per brief van 29 juli 2020 stuurt verweerder naar eiser een aankondiging van de (navorderings)aanslagen IB/PVV voor de jaren 2010 tot en met 2017. Tevens worden vergrijpboetes aangekondigd omdat eiser opzettelijk onjuiste aangiftes IB/PVV 2010 tot en met 2017 heeft gedaan door (buitenlandse) vermogensbestanddelen niet in zijn aangiftes op te nemen.
9. Bij het opleggen van de (navorderings)aanslagen zijn de volgende correcties aangebracht, waarbij wat betreft box 3 het saldo aan buitenlandse bankrekeningen dat tot de bezittingen van eiser moet worden gerekend is vermeld:
Jaar
Dagtekening
Box 1 (€)
Box 3 (€)
Vergrijpboete box 3 (€)
2010
14-10-2020
36.127
253.336
3.802
2011
14-10-2020
27.181
244.447
3.637
2012
19-09-2020
-
214.001
3.081
2013
03-10-2020
59.295
193.489
2.721
2014
03-10-2020
25.4
155.976
2.046
2015
25-09-2020
29.041
155.976
3.265
2016
25-09-2020
26.251
155.976
1.926
2017
20-10-2020
27.706
155.976
1.609
10. Bij uitspraken op bezwaar zijn de correcties box 1 voor alle jaren met uitzondering van het jaar 2015 verminderd, en de correcties box 3 in stand gebleven. De navorderingsaanslag IB/PVV 2012 is vernietigd, en de aanslag IB/PVV 2012 is verminderd. Tevens zijn de vergrijpboetes vanwege de bijzondere omstandigheden van eisers geval tot 25% van de box 3 belasting verlaagd, waarna een verdere reductie tot 20% heeft plaatsgevonden vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Dit kan als volgt worden weergegeven (correcties in box 1, de bijtelling bezittingen in box 3, en de vergrijpboetes):
Jaar
Dagtekening
Box 1 (€)
Box 3 (€)
Vergrijpboete box 3 (€)
2010
02-02-2024
17.106
253.336
506
2011
02/02-2024
16.31
244.447
484
2012
02-02-2024
214.001
410
2013
02-02-2024
51.176
193.489
362
2014
02-02-2024
25.4
155.976
272
2015
26-01-2024
155.976
435
2016
26-01-2024
155.976
256
2017
26-02-2024
155.976
214
11. Bij brief met dagtekening 16 oktober 2024 ontvangt eiser van verweerder een verminderingsbeschikking IB/PVV 2017 in verband met de Wet rechtsherstel box 3. Het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt vastgesteld op € 32.509 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op € 254. De belastingrente is dienovereenkomstig verminderd en de vergrijpboete is verminderd naar € 15.
12. In geschil is of de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2010 tot en met 2017 tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of het inkomen uit sparen en beleggen bij de aanslagen tot de juiste bedragen is vastgesteld. Eiser stelt niet over deze vermogensbestanddelen te beschikken. Eiser heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen het bij de uitspraken op bezwaar vastgesteld inkomen uit winst en woning.
Beoordeling van het geschil
Jaren 2010 tot en met 2014
13. De saldi op de Zwitserse en Luxemburgse bankrekeningen in de jaren 2010 tot en met 2014 zijn afkomstig van door eiser overgelegde gegevens. Eiser heeft erkend (zie onder 2. hiervoor) gerechtigd tot deze bankrekeningen te zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom terecht de daaraan toe te rekenen inkomsten bij eiser in de belastingheffing betrokken.
14. In zijn verweerschrift en ook ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat voor zover de Luxemburgse bankrekeningen op naam stonden van [bedrijf 1] Limited , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] Limited (hierna: de limiteds), geen sprake is van inkomsten uit sparen en beleggen, maar van reguliere voordelen uit een aanmerkelijk belang. Belast worden ingevolge de wettelijke regeling de jaarlijkse overige reguliere voordelen voor zover zij het jaarlijkse forfaitair rendement overtreffen. Eiser was enig aandeelhouder en bestuurder van deze limiteds en kon over de bankrekeningen beschikken, zo heeft hij erkend. Verweerder stelt dat het forfaitair voordeel c.q. de door eiser aan de limiteds onttrokken bedragen in de jaren 2010 tot en met 2014 bij hem moeten worden belast als winst uit een aanmerkelijk belang op grond van artikel 4.12 Wet IB 2001. Met een beroep op interne compensatie komt verweerder tot de conclusie dat de (navorderings-)aanslagen 2010 tot en met 2014, zoals verminderd bij uitspraken op bezwaar, eerder te laag dan te hoog zijn vastgesteld. Eiser heeft niet op dit betoog van verweerder gereageerd.
15. De rechtbank overweegt als volgt. In beroep kan door verweerder een beroep worden gedaan op zogenoemde interne compensatie. De rechtbank kan dan, ook al is de klacht van eiser gegrond, de aanslagen handhaven indien hij oordeelt dat deze op het door verweerder aangevoerde en zo nodig bewezen punt inderdaad moet worden herzien in het nadeel van de belastingplichtige. Daarbij geldt de beperking dat de aanslagen niet hoger kunnen worden vastgesteld dan het bedrag waarop deze bij de uitspraken op bezwaar waren gesteld. Interne compensatie is slechts dan niet mogelijk indien dit ondubbelzinnig zou zijn prijsgegeven, dan wel in beroep zou zijn aangevoerd onder zodanige omstandigheden dat behandeling ervan zou leiden tot een inbreuk op een goede procesorde (vgl. Hoge Raad 24 januari 2003,ECLI:NL:HR:2003:AD9713 en Hoge Raad 3 augustus 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN3831). De rechtbank is van oordeel dat van dit laatste geen sprake is, nu verweerder dit standpunt in het verweerschrift heeft ingenomen, dit gebaseerd is op dezelfde onderliggende feiten, namelijk het aanhouden van buitenlandse bankrekeningen waarvan eiser erkend heeft daarover kon beschikken, en eiser de gelegenheid heeft gehad op dit standpunt te reageren, hetgeen hij niet gedaan heeft. 16. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de inkomsten afkomstig van de op naam van de limiteds aangehouden bankrekeningen dienen te worden belast als reguliere voordelen uit een aanmerkelijk belang. Uit de door eiser overgelegde gegevens volgt dat de belasting over de reguliere voordelen uit een aanmerkelijk belang ten aanzien van deze limiteds als volgt kan worden vastgesteld:
Hieruit volgt dat de verschuldigde belasting in de betreffende jaren hoger is, dan vastgesteld bij uitspraken op bezwaar, zodat de (navorderings-)aanslagen 2010 tot en met 2014, zoals verminderd bij uitspraken op bezwaar, dienen te worden gehandhaafd.
Jaren 2015 tot en met 2017
17. In 2014 zijn alle hiervoor genoemde buitenlandse bankrekeningen gesloten en heeft eiser een bedrag van € 155.976 contant opgenomen van deze rekeningen. Nu eiser desgevraagd geen onderbouwing heeft gegeven van zijn stelling dat hij dit bedrag in de loop van de jaren geconsumeerd heeft, heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eiser dit bedrag ook in 2015 tot en met 2017 nog tot zijn beschikking had. Uit de door eiser overgelegde afschriften van zijn binnenlandse bankrekeningen volgt dat in 2015 € 15.190, in 2016 € 17.440, in 2017 € 26.170 en in 2018 € 31.070 op deze bankrekeningen gestort is. Eiser heeft geen inzicht in de herkomst van deze stortingen gegeven, anders dan dat hij gesteld heeft dat hij contant ontvangen opbrengsten van werkzaamheden op zijn bankrekening stortte. Nu eiser in 2014 een bedrag van € 155.976 contant heeft opgenomen van zijn buitenlandse bankrekeningen, geen inzicht heeft gegeven in de aanwending van dit bedrag, en evenmin in de herkomst van de middelen die in 2015 tot en met 2017 op zijn Nederlandse bankrekening zijn gestort, is de rechtbank van oordeel dat het bewijsvermoeden gerechtvaardigd is dat eiser het in 2014 van de buitenlandse bankrekeningen opgenomen bedrag van € 155.976 ook in 2015 tot en met 2017 nog tot zijn beschikking had. Eiser heeft dit bewijsvermoeden niet weten te ontzenuwen, zodat verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk heeft gemaakt dat de aan dit bedrag toe te rekenen inkomsten dienen te worden betrokken in het inkomen uit sparen en beleggen in die jaren. Dit vermoeden volgt uit de door verweerder voorafgaande aan de zitting ingenomen standpunten en eiser heeft voldoende gelegenheid gehad dit vermoeden te ontzenuwen (vgl. HR 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9354). Het feit dat eiser niet ter zitting is verschenen en nauwelijks iets heeft ingebracht tegenover de gemotiveerde stellingen van verweerder, dient dan ook voor rekening van eiser te blijven. 18. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met toepassing van de normale bewijslastverdeling de (navorderings)aanslagen, met inachtneming van de verminderingsbeschikking voor het jaar 2017, in stand kunnen blijven. De bewijsrechtelijke gevolgen van de informatiebeschikking behoeven geen bespreking meer.
Vergrijpboeten – vrijwillige inkeer?
19. Verweerder heeft aan eiser vergrijpboetes opgelegd op de grond dat eiser opzettelijk onjuiste aangiften heeft ingediend. Verweerder heeft vergrijpboetes opgelegd van 150% van de verschuldigde box 3-belasting, maar deze bij uitspraken op bezwaar verregaand gematigd tot 20%, daarbij ook rekening houdend met een vermindering van 20% wegens undue delay. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder erin geslaagd te doen blijken dat het aan opzet van eiser is te wijten dat hij in de onderhavige jaren onjuiste aangiften heeft ingediend. De rechtbank motiveert dit als volgt. Eiser heeft vermogen aangehouden op een vijftal buitenlandse bankrekeningen in landen waar een bankgeheim gold, en vanaf 2014 had hij een aanzienlijk bedrag in contanten onder zich. Hij ontving op de buitenlandse rekeningen inkomsten van derden voor verrichte IT- en marketingwerkzaamheden. Toen in Luxemburg nummerrekeningen niet meer mogelijk waren, heeft hij de rekeningen op naam van limiteds gezet. In 2014 heeft hij een bedrag van € 155.976 contant opgenomen en onder zich gehouden. Hij heeft de op de buitenlandse bankrekeningen ontvangen inkomsten van werkzaamheden en het hem ter beschikking staande vermogen niet vermeld in zijn aangiften. Dat het aanwezig hebben van de contanten vanaf 2015 is gebaseerd op een niet ontzenuwd bewijsvermoeden zoals hiervoor onder 17. overwogen maakt dit niet anders (vgl. Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1063). 20. Voor zover eiser zich erop beroept dat hij vrijwillig is ingekeerd overweegt de rechtbank het volgende. Voor een geslaagd beroep op de inkeerregeling van artikel 67n van de AWR is vereist dat eiser is ingekeerd vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat verweerder met de onjuistheid of onvolledigheid van zijn aangifte bekend is of bekend zal worden. Van belang is daarbij dat niet beslissend is of eiser subjectief gezien vermoedde dat verweerder van die onjuistheid of onvolledigheid op de hoogte zou komen, maar of hij dit objectief gezien redelijkerwijs moest vermoeden (vgl. Hoge Raad 2 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1375). 21. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat geen sprake is van vrijwillige inkeer. In 2014 is eiser door de Zwitserse bank geïnformeerd dat zijn bankgegevens met de Belastingdienst gedeeld zouden gaan worden. Op 27 september 2015 werd in de Nederlandse media bekend dat de Nederlandse belastingdienst bij de Zwitserse belastingdienst informatie had opgevraagd over rekeninghouders bij [Bank 1] . Eerst na die datum, op 9 december 2015, heeft eiser de melding over de bankrekening bij [Bank 1] ingediend. Bovendien is bij die melding geen melding gemaakt van de Luxemburgse bankrekeningen van eiser en de op die rekeningen genoten inkomsten uit werkzaamheden. Hier is pas informatie over verstrekt nadat verweerder meerdere malen vragen had gesteld naar aanleiding van transacties op de bankrekening bij [Bank 1] . Van een vrijwillige inkeer is dan ook geen sprake.
22. Aan de vergrijpboetes is ten grondslag gelegd dat eiser opzettelijk onjuiste aangiften heeft gedaan. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat nu hij in beroep stelt dat het inkomen dat van de limiteds ontvangen is in box 2 belastbaar is, en niet in box 3, de boetes in zoverre dienen te vervallen. De rechtbank volgt verweerder daarin. Dit betekent dat de boetes voor de jaren 2010 tot en met 2014 als volgt dienen te worden vastgesteld:
2010 72.814/262.808 x € 506 = € 140 vermindering tot € 366;
2011 85.822/243.865 x € 484 = € 170 vermindering tot € 314;
2012 57.560/214.001 x € 410 = € 110 vermindering tot € 300;
2013 61.588/193.489 x € 362 = € 115 vermindering tot € 247;
2014 19.955/155.976 x € 272 = € 34 vermindering tot € 238.
De boetes zoals verminderd bij uitspraken op bezwaar voor de jaren 2015 en 2016, alsmede bij verminderingsbeschikking 2017 dienen gehandhaafd te worden. De rechtbank acht de aldus vastgestelde boetes voor de jaren 2010 tot en met 2017 passend en geboden.
23. De slotsom luidt dat de beroepen voor zover deze de (navorderings-)aanslagen 2010 tot en met 2014 betreffen gegrond dienen te worden verklaard, maar uitsluitend wat betreft de vergrijpboetes, de beroepen betreffende de aanslagen IB/PVV 2015 en 2016 ongegrond dienen te worden verklaard, en het beroep betreffende de aanslag IB/PVV 2017 gegrond dient te worden verklaard, waarbij de aanslag en de vergrijpboete worden verminderd overeenkomstig de verminderingsbeschikking van 26 oktober 2024.
23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Wel dient het door eiser betaalde griffierecht te worden vergoed.