ECLI:NL:HR:2025:158
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over ontvangsttijdstip van elektronische processtukken bij digitaal procederen
Belanghebbende stelde digitaal hoger beroep in tegen een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken. Het Hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat belanghebbende niet binnen de gestelde termijn de gronden van het hoger beroep had ingediend. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar het Hof verklaarde het verzet ongegrond en oordeelde dat belanghebbende het bericht van het Hof over het ontbreken van gronden op het moment van beschikbaarstelling in het digitale systeem had ontvangen.
De Hoge Raad stelt vast dat volgens artikel 8:36c Awb het tijdstip van ontvangst van een bericht bij elektronisch procederen het moment is waarop een notificatiebericht wordt verzonden, tenzij de betrokkene afziet van ontvangst van notificaties, waarna het tijdstip van toegankelijkheid in het digitale systeem geldt. Het oordeel van het Hof dat ontvangst plaatsvindt op het moment van toegankelijkheid zonder bewijs van ontvangst van een notificatiebericht of afzien daarvan, is onjuist of onvoldoende gemotiveerd.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor nadere feitenvaststelling over de ontvangst van het notificatiebericht. Tevens wordt een nadere procedure ingesteld over de vergoeding van proceskosten in cassatie, waarbij belanghebbende en het College nader worden gehoord.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nader feitenonderzoek over de ontvangst van het notificatiebericht.