Geschil19. In geschil is of eiseres in de jaren 2018 en 2019 in Nederland belastingplichtig was voor de Vpb. Wanneer dat het geval is, is nog in geschil of verweerder terecht bepaalde kosten in aftrek heeft geweigerd.
20. Eiseres stelt dat de aanslagen ten onrechte aan haar zijn opgelegd. Zij voert aan dat haar feitelijke leiding zich in Luxenburg bevond, dan wel in [land] , maar in ieder geval niet in Nederland. Nederland kwam dan ook geen heffingsrecht toe. Bij wijze van subsidiair standpunt voert eiseres aan dat de aanslagen tot een te hoog bedrag zijn opgelegd, omdat kosten ten onrechte niet in aftrek zijn toegelaten. Tot slot stelt eiseres dat verweerder de motiveringsplicht heeft geschonden. Eiseres concludeert tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, tot vermindering van de belastingaanslagen tot een berekend naar belastbaar bedragen van nihil, dan wel tot vermindering van de belastingaanslagen.
21. Verweerder stelt dat de belastingaanslagen terecht en tot de juiste bedragen aan eiseres zijn opgelegd. Volgens verweerder kwalificeert eiseres slechts als inwoner van Nederland, omdat haar statutaire zetel en feitelijke leiding zich niet in Luxemburg bevonden. Zij kon daarom onder het nationale recht van Luxemburg niet als inwoner van Luxemburg worden aangemerkt. Wanneer eiseres ook als inwoner van Luxemburg moet worden aangemerkt, dan is eiseres voor de toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (het Verdrag) uitsluitend inwoner van Nederland omdat haar feitelijke leiding in Nederland is gelegen. Verweerder stelt dat de bewijslast moet worden omgedraaid en verzwaard omdat eiseres onjuiste aangiften zou hebben gedaan. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.
Beoordeling van het geschil
Omkering en verzwaring van de bewijslast
22. Verweerder stelt dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, omdat eiseres over de jaren 2018 en 2019 niet de vereiste aangiften heeft gedaan nu zij is uitgenodigd tot het doen van aangiften en vervolgens nihilaangiften Vpb heeft ingediend terwijl zij wist dat zij in Nederland gevestigd was en belastbare inkomsten had.
23. De vereiste aangifte is niet gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belastingen verhoudingsgewijs aanzienlijk lager zijn dan de werkelijk verschuldigde belastingen. Tevens is vereist dat het bedrag van de belastingen die als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belastingen niet zou worden geheven (vgl. HR 24 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083). 24. De rechtbank overweegt dat voor omkering en verzwaring van de bewijslast in dit geval dus vereist is dat verweerder allereerst aannemelijk maakt dat de woonplaats van eiseres voor de toepassing van het Verdrag in Nederland is gelegen. De rechtbank overweegt als volgt.
25. Vaststaat dat eiseres op grond van haar oprichting naar Nederlands recht in Nederland als binnenlandse belastingplichtige aan de Vpb is onderworpen (artikel 4, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969), zodat zij op grond van artikel 4, eerste lid, van het Verdrag in ieder geval als inwoner van Nederland kan worden aangemerkt.
Is eiseres alleen inwoner van Nederland en niet van Luxemburg?
26. Eiseres was in de onderhavige jaren ingeschreven in Luxemburg en als inwoner daadwerkelijk in Luxemburg in de belastingheffing betrokken. In beginsel dient daarom ervan te worden uitgegaan dat zij op grond van de wetten van Luxemburg aldaar als inwoner aan belastingheffing was onderworpen. Dat is slechts anders indien verweerder aannemelijk maakt dat Luxemburg eiseres in de heffing heeft betrokken op basis van gegevens die onjuist of onvolledig zijn, dan wel dat de heffing niet in redelijkheid op enige regel van het Luxemburgse recht of de uitleg van het Verdrag kan zijn gestoeld (zie HR 12 mei 2016, ECLI:NL:HR:2006:AR5759). 27. Verweerder heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit opgemaakt kan worden dat de Luxemburgse belastingautoriteiten op grond van onjuiste of onvolledige feiten hebben aangenomen dat eiseres in de onderhavige jaren inwoner van Luxemburg was. Evenmin heeft verweerder gegevens aangedragen die de conclusie rechtvaardigen dat de belastingheffing van eiseres niet in redelijkheid op enige regel van het Luxemburgse recht kan zijn gestoeld. De door verweerder aangedragen omstandigheid dat in een rechterlijke uitspraak over de jaren 2011 tot en met 2015 is geoordeeld dat de feitelijke leiding van eiseres in Nederland was gelegen is daartoe onvoldoende, nog daargelaten dat in die procedures is vastgesteld dat eiseres ook inwoner van Luxemburg was. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat eiseres voor de toepassing van het Verdrag zowel inwoner van Nederland als Luxemburg was.
28. Het Verdrag bevat regels over de fiscale woonplaats. Artikel 4, vierde lid, van het Verdrag - de zogenaamde
tiebreaker- bepaalt dat de rechtspersoon die inwoner is van beide Staten geacht wordt inwoner te zijn van de staat waar de plaats waar zijn werkelijke leiding is gelegen.
29. In het algemeen moet ervan worden uitgegaan dat de werkelijke of feitelijke leiding van een lichaam berust bij zijn bestuur, en dat de vestigingsplaats overeenkomt met de plaats waar dit bestuur zijn leidinggevende taak uitoefent. Maar wanneer het aannemelijk is dat de feitelijke leiding van het lichaam door een ander wordt uitgeoefend dan dat bestuur, kan er aanleiding zijn als vestigingsplaats van het lichaam aan te merken de plaats van waaruit die ander de leiding uitoefent (HR 23 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5105). Onder de plaats waar een lichaam wordt geleid, moet worden verstaan de plaats waar de kernbeslissingen met betrekking tot de activiteiten van het lichaam worden genomen, waar de eindverantwoordelijkheid voor deze beslissingen wordt gedragen en van waaruit in voorkomende gevallen instructie wordt gegeven aan de binnen het lichaam werkzame personen. Wie de dagelijkse leiding heeft bij de uitvoering van een en ander is voor de bepaling van de plaats van leiding en bestuur van een lichaam niet van betekenis (HR 19 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:47). Het is aan verweerder feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken waaruit volgt dat de feitelijke leiding van eiseres in de onderhavige jaren niet werd uitgeoefend door het statutaire bestuur, maar door een ander. 30. Verweerder heeft de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van het standpunt dat de feitelijke leiding van eiseres zich in Nederland bevond, omdat de kernbeslissingen door [naam 3] en [naam 4] werden genomen:
- Uit de overeenkomst met [bedrijf 2] volgt dat het bestuur in Luxemburg contractueel is beperkt, evenals de aansprakelijkheid voor haar handelen. Deze overeenkomst gold ook in de onderhavige jaren.
- Uit de e-mailcorrespondentie, behorend tot de FIOD-stukken, tussen [naam 4] en/of [naam 3] en/of [bedrijf 2] kan worden opgemaakt dat het bestuur in Luxemburg handelde op instructies en aanwijzingen van (voornamelijk) [naam 4] en [naam 3] .
- [naam 3] zou de vergoedingen van het bestuur in Luxemburg naar beneden bij hebben gesteld, omdat zij in de toekomst nagenoeg geen werkzaamheden hoefde te verrichten.
- Ter terechtzitting bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter zake van de jaren 2011 en 2013 heeft [naam 3] verklaard dat hij zaken betreffende eiseres overliet aan [naam 4] .
- Het initiatief voor (her)structurering en de coördinatie daarvan lag bij [naam 4] .
- In samenwerking met en onder supervisie van [naam 4] werden de aangiften Vpb 2018 en 2019 verzorgd door [bedrijf 3] .
- Zowel [naam 4] als [naam 3] in de onderhavige jaren beschikte over woon- en kantoorruimte in Nederland en zij in Nederland activiteiten hebben verricht.
Verder heeft verweerder aangevoerd dat de aangedragen feiten en omstandigheden in de (hoger) beroepsprocedures over de eerdere jaren, in onderlinge samenhang bezien maken dat het niet anders kan dan dat hieruit afgeleid wordt dat de beslissingsbevoegdheid ook in onderhavige jaren is blijven berusten bij [naam 3] en [naam 4] .
31. Uit het dossier volgt dat [naam 4] eiseres en [naam 3] heeft geadviseerd en begeleid bij de emigratie van [naam 3] en zijn echtgenote naar [land] en de verplaatsing van de feitelijke leiding van eiseres naar Luxemburg. Uit de e-mailcorrespondentie tussen [naam 3] en [naam 4] kan worden opgemaakt dat deze structurering is ingegeven door de wens om in 2011 door eiseres een dividend, vrij van Nederlandse belastingheffing, uit te laten keren. Aan het advies van [naam 4] is ook daadwerkelijk uitvoering gegeven. Zo is, overeenkomstig het advies, in 2011 door eiseres een dividend van € 10.000.000 uitgekeerd aan haar aandeelhouder en is eiseres per 2021 weer in Nederland geregistreerd, alsook zijn [naam 3] en zijn echtgenote weer ingeschreven in Nederland. De rechtbank maakt hieruit op dat het zwaartepunt van de structurering in 2011 lag en dat voornamelijk rond dat jaar activiteiten door eiseres zijn verricht. In de onderhavige jaren was de nagenoeg enige activiteit van eiseres het houden van de deelneming [dochteronderneming] B.V.
32. Naast de correspondentie tussen [naam 4] en/of [naam 3] en/of het bestuur in Luxemburg over de advisering en begeleiding van deze (her)structurering, bevat het dossier ook e-mailcorrespondentie in de daarop volgende jaren. De laatste e-mail die het dossier bevat gaat over de (concept)cijfers van eiseres over het jaar 2015. Het dossier bevat geen (e-mail) correspondentie tussen [naam 4] en/of [naam 3] en/of het bestuur in Luxemburg uit 2018 en 2019 of betrekking hebbende op 2018 en 2019. Daarnaast heeft verweerder ook geen andere specifieke feiten en omstandigheden aangedragen waar aanknopingspunten in gevonden kunnen worden dat het bestuur in Luxemburg slechts een formele rol had en handelde op initiatief van [naam 3] en/of [naam 4] . Uit het dossier volgt wel dat:
- de bestuursvergaderingen van eiseres en de aandeelhoudersvergadering van [dochteronderneming] B.V. hebben plaatsgevonden in Luxemburg;
- in de notulen van die vergaderingen is opgenomen dat en welke beslissingen door het bestuur in Luxemburg zijn genomen;
- de jaarrekeningen en Luxemburgse aangiften van eiseres door [naam 6] zijn opgesteld en ingediend bij de Luxemburgse autoriteiten; en
- is in 2019 het beroepschrift met betrekking tot de Nederlandse aanslag Vpb 2011 door het bestuur in Luxemburg ingediend.
Dat deze activiteiten zijn verricht op instructie van [naam 3] en/of [naam 4] volgt niet uit het dossier. Het enkele feit dat in de overeenkomst met [bedrijf 2] – kort gezegd – wordt bepaald dat [naam 3] instructies mag geven aan het bestuur in Luxemburg, betekent niet dat dergelijke instructies door [naam 3] ook in de onderhavige jaren zijn gegeven. Ook uit de omstandigheid dat [naam 3] in 2013 de vergoeding van het bestuur in Luxemburg naar beneden wilde bijstellen, maakt dat niet anders. Het is namelijk niet duidelijk wat de betekenis hiervan is voor het antwoord op de vraag vanaf welke plaats in de thans voorliggende jaren feitelijk leiding aan eiseres werd gegeven.
33. De stelling van verweerder dat er geen enkele reden bestaat om aan te nemen dat de situatie in 2018 en 2019 anders was dan zoals in 2011 tot en met 2015, is niet aannemelijk geworden. Een verwijzing naar hetgeen is geoordeeld in de (hoger) beroepsprocedures over voorgaande jaren is daartoe onvoldoende. Verweerder stelt weliswaar terecht dat feiten en omstandigheden die zich in het verleden hebben voorgedaan licht kunnen werpen op de vraag wie in de onderhavige jaren de leiding over eiseres feitelijk uitoefende, maar specifieke aanknopingspunten dat die situatie zich nog altijd in 2018 en 2019 voordeed zijn er niet. Daar komt bij dat de situatie van eiseres in de jaren 2018 en 2019 op relevante punten verschilt van de eerdere jaren. Zo heeft verweerder, anders dan in de voorgaande jaren, voor de aanslagen IB/PVV 2016, 2017 en 2018 aangenomen dat [naam 3] in [land] woonachtig is. Daarnaast is [naam 4] in 2017 naar Italië verhuisd en is de FIOD in 2018 bij [naam 4] binnen gevallen. Aangenomen mag worden dat [naam 4] vanaf het moment dat hijzelf onderwerp werd van strafrechtelijk onderzoek beduidend minder tijd dan voorheen heeft kunnen besteden aan het geven van leiding aan eiseres. Ook mag worden aangenomen dat eiseres in de jaren 2018 en 2019 minder actief was dan in de periode rond de omvangrijke dividenduitkering in 2011. Verder heeft verweerder voor de jaren vanaf 2016 geen nader feitenonderzoek gedaan naar de vestigingsplaats van eiseres, en zijn aan eiseres nihilaanslagen Vpb 2016 en 2017 opgelegd. Nu de jaren 2011 tot en met 2015 en de in geschil zijnde jaren ver van elkaar afliggen, had het op de weg van verweerder gelegen om met actuele feiten en omstandigheden te onderbouwen dat de situatie gelijk was aan de voorgaande jaren. Nu verweerder dat niet heeft gedaan, kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet worden vastgesteld dat de situatie van de jaren 2011 tot en met 2015 zich nog altijd voordeed in 2018 en 2019.
34. Dit alles maakt dat door verweerder niet aannemelijk is gemaakt dat [naam 3] en/of [naam 4] vanuit Nederland kernbeslissingen met betrekking tot de activiteiten van eiseres hebben genomen - zelfs niet als alle FIOD-stukken worden meegewogen. De werkelijke leiding werd uitgeoefend door het bestuur in Luxemburg, zodat eiseres voor de toepassing van het Verdrag in Luxemburg gevestigd was en niet in Nederland. Nu verweerder niet aannemelijk gemaakt heeft dat eiseres op grond van het Verdrag aan Nederland ter heffing toegewezen winst- of inkomensbestanddelen had, is voor omkering en verzwaring van de bewijslast geen reden, en dienen de belastbare bedragen op nihil te worden bepaald.
35. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard, de opgelegde aanslagen verminderd te worden naar belastbaar bedragen van nihil en de beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig te worden verminderd. Nu de beroepen gegrond zijn behoeven de overige grieven van eiseres geen behandeling meer. Dat geldt ook ten aanzien van de klacht van eiseres over de motivering van de uitspraken op bezwaar, omdat de uitspraken op bezwaar reeds op andere gronden worden vernietigd.
36. Omdat de beroepen gegrond worden verklaard, heeft eiseres recht op een proceskostenvergoeding. De rechtbank concludeert dat sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). De zaken zijn in bezwaar en beroep (nagenoeg) gelijktijdig behandeld, rechtsbijstand is verleend door een of meer personen die werkzaam zijn bij [bedrijf 5] advocaten en de werkzaamheden in de onderhavige zaken konden nagenoeg identiek zijn. Voor de vergoeding van proceskosten worden de twee onderhavige zaken dus beschouwd als één zaak.
De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.108 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). Ook dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.