Uitspraak
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 19 juni 2024 in de zaak tussen
de inspecteur van de Douane, kantoor Arnhem, verweerder.
Inleiding
Feiten
[artikel 1]Speelgoedauto met buitenkant van metaal (die cast metal / vorm gegoten in metaal) en gelakte verf. Binnenkant van kunststof, evenals de onderkant (carrosserie), beweegbare wielen, intrekkende motor (pull back action). Met een caravan van kunststof, samen verpakt in een verkoopdoosje/karton voor verkoop in het klein.
[artikel 2]Speelgoedauto met buitenkant van metaal (die cast metal / vorm gegoten in metaal) en gelakte verf. Binnenkant van kunststof, evenals de onderkant (carrosserie), beweegbare wielen, intrekkende motor (pull back action). Met paardentrailer van kunststof, inclusief 2 paarden in de trailer, samen verpakt in verkoopdoosje/karton in het klein.
[artikel 3]Speelgoedauto met buitenkant van metaal (die cast metal / vorm gegoten in metaal) en gelakte verf. Binnenkant van kunststof, evenals de onderkant (carrosserie), beweegbare wielen, intrekkende motor (pull back action). Met een aanhanger van kunststof, samen verpakt in een verkoopdoosje/karton voor verkoop in het klein.”
Geschil
Juridisch kader
not included in (A) to (C). Many of the toys are mechanically or electrically operated.
other thanthose of group A), trains (whether or not electric), aircraft, boats, etc., and their accessories (e.g., railway tracks, signals).
(Zie ook de GS-toelichting op de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur 3 b) en 6)
Beoordeling door de rechtbank
20 mei 2016 tot en met 28 juni 2017 zijn meer dan drie jaar voorafgaand aan de datum van de utb (29 september 2020) ontstaan. Dat betekent dat de utb alleen in stand kan blijven indien de verlengde verjaringstermijn van artikel 7:7 van Pro de Adw kan worden toegepast.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding aan eiseres van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade vastgesteld op € 576,92;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan eiseres van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade vastgesteld op een bedrag van € 923,08;
- veroordeelt verweerder en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiseres, ieder tot een bedrag van € 109,50; en
- draagt verweerder en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) op het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden, ieder tot een bedrag van € 182,50.
mr. E.M.R. Vennekens, leden, in aanwezigheid van mr. W.G. van Gastelen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2024.