Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 november 2022 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
- De periode waarin eiser stelt in Duitsland te hebben gewoond is relatief kort geweest (4 februari 2015 tot 20 december 2016, blijkens zijn aangiften). Eiser heeft vooraf een overeenkomst gesloten met B-Home voor de verhuur van zijn woning (‘ [bijnaam adres] ’) voor de periode van 1 januari 2015 tot 1 januari 2017. Deze periode eindigde op het moment dat eiser niet langer met een beroep op artikel 33, zesde lid, van het Belastingverdrag Nederland-Duitsland 2012 de voordelen kon genieten van het Belastingverdrag Nederland-Duitsland 1959. Deze omstandigheden vormen een aanwijzing dat vooraf reeds het voornemen bestond om na ommekomst van twee jaar terug te keren naar Nederland en de woning weer permanent te betrekken.
- Op zichzelf behoeft dat niet in de weg te staan aan een Duitse woonplaats, Echter, eiser heeft een substantieel gedeelte van de periode waarin in hij in Duitsland zou hebben gewoond in Nederland verbleven (respectievelijk 61 en 69 dagen). Uit de door hem verstrekte overzichten van de plaatsen waar hij verbleef, blijkt dat hij vrijwel iedere maand van 2015 en 2016 één of meer dagen in Nederland te vinden was. Hij kon vrijwel al die dagen verblijven in zijn eigen woning, aangezien hij zich in de overeenkomst met B-Home het recht had voorbehouden om zelf maximaal 62 dagen per jaar over zijn woning te blijven beschikken. Ook dit duidt erop dat eiser zijn persoonlijke banden van duurzame aard met Nederland nimmer heeft verbroken.
- Die banden bestonden – behalve het reeds genoemde Nederlanderschap van eiser en zijn terugkerende verblijf hier te lande – met name erin dat de zoon van eiser, die leed onder de gevolgen van een hersenbeschadiging, in Nederland is blijven wonen en dat eiser economische activiteiten in Nederland bleef ontplooien, te weten de verhuur van onroerende zaken. Uit het eerder genoemde overzicht van verblijfplaatsen blijkt in dit verband dat eiser zelf (deels) de verbouwing van zijn zomerhuis in [woonplaats] (‘ [bijnaam adres 2] ’) uitvoerde of daar persoonlijk toezicht op hield.
- Aan de gestelde woonplaats in Duitsland doet bovendien af dat eiser in de desbetreffende periode langere tijd verbleef in [stad ] aan de [streek] in [ land ] (respectievelijk 124 en 115 dagen), waar hij voorafgaand aan de gestelde verhuizing naar Duitsland reeds een vakantiewoning bezat. Al met al bevond eiser zich niet meer dan respectievelijk 146 en 178 dagen in Duitsland.
- De rechtbank onderkent dat eiser ten tijde van de gestelde emigratie niet meer in dienstbetrekking werkzaam was en dat hij door zijn lidmaatschappen van Nederlandse sportorganisaties (voetbal, golf, schaatsen, tennis) op te zeggen, lid te worden van de Sportclub [naam sportclub] en zich in [plaats] toe te leggen op de ski- en de fietssport een niet onbelangrijk deel van zijn persoonlijke levensbelangen naar Duitsland heeft verlegd. Mede in het licht van de hiervoor opgesomde omstandigheden is dit echter onvoldoende om te kunnen spreken van duurzame banden van persoonlijke aard met Duitsland.
- Datzelfde geldt voor het overzetten van een aantal verzekeringen naar Duitsland, de uitvoer van eisers auto naar Duitsland en de verkoop van zijn Nederlandse boot.
- Aan de omstandigheden dat eiser zowel in Nederland als in Duitsland telefoonnummers aanhield en aangifte deed, komt naar het oordeel van de rechtbank geen belang toe, omdat deze omstandigheden tezamen beschouwd niet wijzen op een woonplaats in het ene of het andere land.
- Van bijzondere omstandigheden die zouden maken dat eiser naar de maatstaven van artikel 4, eerste lid, van de AWR zowel in Nederland als in een ander land zou wonen, is de rechtbank niet gebleken.
Beslissing
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiser geleden immateriële schade tot een bedrag van € 916,67;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) tot vergoeding van de door eiser geleden immateriële schade tot een bedrag van € 83,33;
- veroordeelt verweerder en de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) in de proceskosten van eiser, elk tot een bedrag van € 379,50; en
- gelast dat verweerder en de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) het door eiser betaalde griffierecht vergoeden, elk tot een bedrag van € 24,50.