Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2021 in de zaak tussen
[X], te [Z], eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst kantoor Den Haag, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
€ 1.030. Dit resulteerde per saldo in een navordering van € 382 IB/PVV en € 52 belastingrente.
€ 1.030 bedraagt, is verweerder van mening dat het correctiebeleid juist is toegepast. Volgens verweerder zijn de kosten van bezwaar terecht op basis van samenhang vergoed en heeft hetzelfde te gelden voor de proceskosten in beroep omdat voor beide zaken één beroepschrift is ingediend en dient de wegingsfactor voor het gewicht van de zaken op 0,5 gesteld te worden, er vanuit gaande dat het beroep uitsluitend gegrond is vanwege de toekenning van (aanvullende) immateriële schadevergoeding. Wat betreft de vergoeding van immateriële schade zijn de zaken ook samenhangend en moet er rekening mee gehouden worden dat reeds € 1.000 is vergoed.
€ 450 bedraagt. In het onderhavige geval bedraagt de nagevorderde belasting € 434. De navorderingsaanslag is mitsdien in strijd met het correctiebeleid opgelegd. De navorderingsaanslag en de daarmee samenhangende beschikking belastingrente kunnen daarom niet in stand blijven. Het beroep dient gegrond verklaard te worden.
(4 x € 500). Hiervan dient een bedrag van € 1.913 door verweerder vergoed te worden en een bedrag van € 87 door de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid).
In de bezwaarfase was naar het oordeel van de rechtbank echter wel sprake van samenhang in de zin van het Bpb. Tussen partijen is niet in geschil dat de zaken in de bezwaarfase gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig behandeld zijn en dat dat rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Niettemin is namens eiseres gesteld dat ook in deze fase geen sprake is van samenhang, omdat die aan de zaken is komen te ontvallen, nu de beroepszaak over 2014 is ingetrokken. Dit betoog faalt, omdat de samenhang voor de bezwaarfase afzonderlijk van de beroepsfase beoordeeld dient te worden en een gebeurtenis in de beroepsfase dus geen afbreuk doet aan een in de bezwaarfase bestaande samenhang. De kosten voor de bezwaarfase zijn daarom terecht vergoed met in achtneming van de samenhang tussen de zaken, zodat verweerder voor de bezwaarfase geen (aanvullende) vergoeding dient te betalen.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de navorderingsaanslag en de beschikking belastingrente;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van schadevergoeding aan eiseres van een bedrag van € 1.913 voor de overschrijding van de redelijke termijn;
- veroordeelt de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding van € 87 aan eiseres voor de overschrijding van de redelijke termijn;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres voor een bedrag van € 1.496, en
- draagt verweerder op vanwege het betaalde griffierecht € 24 aan eiseres te vergoeden.