ECLI:NL:RBNHO:2019:1464
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale kwalificatie inkomsten acteur als winst uit onderneming of loon uit dienstbetrekking
Eiser, werkzaam als acteur in 2014, betwistte de belastingaanslag IB/PVV 2014 waarin zijn inkomsten grotendeels als loon uit dienstbetrekking zijn aangemerkt. Hij stelde dat zijn werkzaamheden als ondernemer moeten worden gekwalificeerd, met toepassing van zelfstandigenaftrek, en dat de inkomsten uit dienstbetrekking in zijn ondernemersactiviteiten zijn geabsorbeerd.
De rechtbank onderzocht de aard van de contracten en de feitelijke omstandigheden. De arbeidsovereenkomsten met verschillende BV's bevatten bepalingen over loon, vakantietoeslag en gezag, en eiser moest aanwijzingen van regisseurs opvolgen. De rechtbank oordeelde dat er sprake is van een gezagsverhouding en loon uit dienstbetrekking, mede door het ontbreken van ondernemersrisico en de beperkte omvang van de werkzaamheden.
Eiser voerde subsidiair het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel aan, verwijzend naar eerdere jaren en vergelijkbare gevallen van andere artiesten. De rechtbank stelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een bewuste standpuntbepaling door de Belastingdienst of dat vergelijkbare gevallen feitelijk en rechtens gelijk zijn.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2014 wordt gehandhaafd.