ECLI:NL:RBNHO:2018:7404
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling invordering dwangsom wegens permanente bewoning recreatieverblijf
Eiseres is eigenaar van een recreatieverblijf waarop een last onder dwangsom is opgelegd wegens permanente bewoning, wat in strijd is met de beheersverordening. Na overtreding van deze last heeft het college een dwangsom van €25.000,- ingevorderd, waartegen eiseres bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde.
De rechtbank stelt vast dat het primaire besluit tot oplegging van de last onder dwangsom niet meer ter discussie kan worden gesteld omdat hiertegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Het beroep richt zich daarom uitsluitend op de rechtmatigheid van het invorderingsbesluit, waarbij de rechtbank de vaste jurisprudentie volgt dat bezwaren tegen de last zelf in de invorderingsprocedure niet meer aan de orde kunnen komen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die hier niet aanwezig zijn.
Eiseres voerde aan dat het onderzoek naar de overtreding ondeugdelijk was en dat zij niet verantwoordelijk zou zijn voor het gebruik door [naam 3]. De rechtbank oordeelt dat het onderzoek deugdelijk en controleerbaar was, ondanks het ontbreken van ondertekening van sommige verslagen. Ook is vastgesteld dat [naam 3] het recreatieverblijf als hoofdverblijf gebruikte, ondersteund door verklaringen en waarnemingen.
Verder is geoordeeld dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet wist of kon weten van het onrechtmatig gebruik. Afspraken met de vader van [naam 3] en het feit dat eiseres [naam 3] niet heeft gezien, zijn onvoldoende om aansprakelijkheid te ontkennen.
Ten slotte faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat geen sprake is van gelijke gevallen en geen bewijs is geleverd dat andere overtreders niet worden gehandhaafd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de dwangsom blijft verschuldigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de invordering van de dwangsom wegens permanente bewoning wordt ongegrond verklaard.