Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 november 2017 in de zaak tussen
[X] BV, gevestigd te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder
de Staat der Nederlanden, de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister.
Procesverloop
Overwegingen
[B] (de DGA) is enig aandeelhouder en bestuurder van eiseres.
23 november 2011 failliet verklaard.
(…)sectie C nummer [A NUMMER], groot zeventien are;
(…)sectie C nummer [B NUMMER], groot twee hectare vier are en vijfenzestig centiare,
tezamen hierna te noemen:
Verkochte;
DEFINITIES
Leveringsakte:
de voor de levering vereiste akte, te verlijden ten overstaan van de hierna onder 5. te noemen notaris;
Leveringsdatum:
de datum als bedoeld in artikel 9;
Kosten en belastingen
Artikel 1
C nummer [B NUMMER] , in bouwrijpe staat is opgeleverd, aangezien de opstallen
op het verkochte zijn gesloopt. In verband met deze bewerking is verkoper
voor deze levering omzetbelasting verschuldigd en gerechtvaardigd deze
in rekening te brengen bij de koper.
Opgaven door Verkoper
Artikel 2
nummer [A NUMMER] : een Publiekrechtelijke beperking als Beschermd monument
krachtens de Monumentenwet, Ontleend aal 379, datum in werking 11 april
1992;
Verklaringen van Koper
Artikel 6
LeveringArtikel 9
“LEVERING
OMSCHRIJVING REGISTERGOEDEREN
sectie C nummer [A NUMMER], groot zeventien are, welk registergoed door de gemeente is opgenomen in een (lopende adviesaanvraag voor) aanwijzing, aanwijzingsbesluit dan wel registerinschrijving als beschermd gemeentelijk monument;
sectie C nummer [B NUMMER], groot twee hectare vier are en vijfenzestig centiare,
het verkochte”.
TWEEHONDERDVIJFENDERTIGDUIZEND EURO(€ 235.000).
VOORGAANDE VERKRIJGING
- “De [DGA] heeft verklaard dat het oorspronkelijke plan van de verkoper om een bedrijfsverzamelgebouw stichten in de ijskast was gezet en het van de markt af zou hangen wat er met de onroerende zaak zou gebeuren. Thans is de eerste optie verkavelen, maar realisatie van het oorspronkelijke plan van de verkoper behoort nog steeds tot de mogelijkheden.
- De bouwvergunning zou nog actueel zijn.
- De notaris heeft verklaard dat de verkoop buiten executie heeft plaatsgevonden.
- De notaris heeft het Vat Information Exchange System niet geraadpleegd.”
B BV en de levering van de grond door A BV in één akte te verwerken. Verweerder heeft dit ter zitting erkend en verklaard dat dit per abuis niet is opgenomen in de weergave van het hoorgesprek. Het enkele feit dat een en ander in één akte is verwerkt, is onvoldoende om te concluderen dat feitelijk is geleverd door een als ondernemer voor de omzetbelasting aan te merken samenwerkingsverband van A BV en B BV. Verweerder heeft verder geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat sprake was van een dergelijk samenwerkingsverband. Het standpunt van verweerder dat om deze reden de factuur onjuist is, faalt dan ook.
B01-nummer een B02-nummer is toegekend. Verweerder heeft desgevraagd niet kunnen verklaren waarom dit is gebeurd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding dit aan eiseres tegen te werpen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de factuur is uitgereikt door de ondernemer die de grond aan eiseres heeft geleverd. De stelling van verweerder dat sprake is van een onjuiste factuur die aan aftrek van de voorbelasting in de weg staat, faalt. Het gelijk is in zoverre aan de zijde van eiseres.
In deze arresten zijn de regels voor de vergoeding van immateriële schadevergoeding neergelegd.
(1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 0,5). Voor een hogere vergoeding bestaat geen aanleiding. Nu de overschrijding van de redelijke beslistermijn zowel aan verweerder als aan de rechtbank is toe te rekenen, zal verweerder worden veroordeeld tot de betaling van de helft daarvan. De andere helft dient te worden vergoed door de Minister.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op een bedrag van € 1.154;
- veroordeelt de Minister tot vergoeding van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op een bedrag van € 346;
- veroordeelt de Minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 247,50;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 247,50;
- draagt verweerder op de helft van het betaalde griffierecht van € 334 aan eiseres te vergoeden, zijnde € 167;
- draagt de Minister op de helft van het betaalde griffierecht van € 334 aan eiseres te vergoeden, zijnde € 167.
mr. S.K.A. Efstratiades, leden, in aanwezigheid van mr. drs. K.M.E. de Moor, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2017.