ECLI:NL:HR:2013:CA2222
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- E.N. Punt
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verduidelijkt begrip bouwterrein voor overdrachtsbelasting en omzetbelasting
In deze zaak stond de vraag centraal of de verkrijging van een terrein, waarop een gebouw was gesloopt en dat bestemd was voor nieuwbouw, moet worden aangemerkt als de verkrijging van een bouwterrein in de zin van de Wet op de omzetbelasting (Wet OB) en de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BRV).
De Hoge Raad volgde het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 17 januari 2013, waarin werd geoordeeld dat de levering van een onbebouwd terrein na sloop van een gebouw niet automatisch vrijgesteld is van omzetbelasting, zelfs als er nog geen voorzieningen zijn getroffen, mits uit een globale beoordeling blijkt dat het terrein bestemd was om te worden bebouwd.
De Hoge Raad verwerpt daarmee zijn eerdere jurisprudentie dat bewerkingen aan de grond na sloop noodzakelijk waren om het terrein als bouwterrein aan te merken. De Hoge Raad oordeelt dat het perceel bij de verkrijging door belanghebbende bestemd was voor nieuwbouw en daarom moet worden aangemerkt als bouwterrein, waardoor de overdrachtsbelasting vrijgesteld is en omzetbelasting verschuldigd.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank, wijst de naheffingsaanslag af en veroordeelt de Staat tot vergoeding van griffierechten en proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en wijst de naheffingsaanslag af omdat het terrein als bouwterrein moet worden aangemerkt.