Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Bewijs
[telefoonnummer 4] daarop moeten ze bellen’. [10] In de woning van verdachte wordt een telefoontoestel (Nokia 100) aangetroffen met daarin een simkaart behorend bij telefoonnummer [telefoonnummer 4] (hierna [telefoonnummer 4]). [11] Uit onderzoek bij [bedrijfsnaam] blijkt dat een persoon bekend onder de naam [naam 1] op 4 februari 2014 een pakket ter verzending naar Suriname heeft aangeboden en daarbij het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 4] heeft opgegeven. [12]
[telefoonnummer 7]’, waarna hij van [medeverdachte 3] een sms-bericht terug ontvangt met de tekst ‘
Ok heb je nog een en een postcode’. [17]
[adres 2]’. Om 17:49 uur belt verdachte (R) wederom met [medeverdachte 3] (D), in welk gesprek onder meer het volgende wordt besproken.
[telefoonnummer 8]’. [20]
[naam 3] [adres 3] gr. [medeverdachte 2]’. [21]
Einde [telefoonnummer 7]’. [30]
20754 [naam 3]’ naar verdachte.
die van [naam 4]’ is waarop verdachte zegt dat ‘
die mannen weten welke het is’. Om 18:01 uur belt medeverdachte [medeverdachte 2] naar verdachte en zegt dat ‘
die jongen al klaar is’.
Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
5.Strafbaarheid van verdachte
6.Motivering van de straffen
7.Toepasselijke wettelijke voorschriften
8.Beslissing
TWEEËNVEERTIG (42) MAANDEN;
- een geldbedrag van 58.000 euro;
- een geldbedrag van 35.070 euro.