ECLI:NL:RBMNE:2026:4046

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
25/6400
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 4 sub b ParticipatiewetArt. 54 lid 3 ParticipatiewetArt. 17 lid 1 Participatiewet
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstandsuitkering wegens niet melden gezamenlijke huishouding

Eiseres ontvangt sinds november 2018 bijstand als alleenstaande ouder. In december 2023 ontvangt het college een anonieme tip dat eiseres samenwoont met een man die in Amsterdam staat ingeschreven. Het college start een onderzoek, waaronder een huisbezoek op 22 mei 2025, waarbij wordt vastgesteld dat eiseres en de man een gezamenlijke huishouding voeren en een kind hebben.

Het college trekt de bijstandsuitkering per 22 mei 2025 in wegens schending van de inlichtingenplicht. Eiseres voert aan dat het college onvoldoende bewijs heeft geleverd dat de man zijn hoofdverblijf bij haar had. De rechtbank oordeelt dat het huisbezoek en de aangetroffen persoonlijke spullen en post voldoende bewijs vormen.

Eiseres verschijnt niet op de zitting en geeft geen nadere toelichting. De rechtbank concludeert dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden en verklaart het beroep ongegrond. Zij krijgt geen terugbetaling van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de intrekking van haar bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6400

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N. Velthorst),
en

het college van burgemeester en wethouders van Almere, het college

(gemachtigde: mr. J.M. van Holt).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van het recht op bijstand van eiseres. De reden hiervoor is dat eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat zij niet heeft gemeld dat ze een gezamenlijke huishouding voert. Eiseres is het hiermee niet eens en voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres ontvangt sinds 12 november 2018 bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) naar de norm van een alleenstaande ouder.
3. Op 5 december 2023 heeft het college een anonieme tip ontvangen dat eiseres op haar adres samenwoont met een man die in Amsterdam zou staan ingeschreven, de heer [A] ( [A] ). Naar aanleiding van die tip heeft het college een onderzoek opgestart. In het kader van dit onderzoek heeft het college onder andere bankafschriften en politiegegevens bekeken, waarnemingen en observaties verricht bij het woonadres van eiseres, een internetonderzoek uitgevoerd naar eiseres en [A] , gegevens opgevraagd van IP-adressen en inlogactiviteiten van [A] bij Odido en Rabobank, en een huisbezoek afgelegd. Op de dag van het huisbezoek zijn er ook gesprekken gevoerd met eiseres en [A] . De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 28 mei 2025.
4. Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen heeft het college met het besluit van 30 mei 2025 de bijstandsuitkering van eiseres per 22 mei 2025 ingetrokken omdat is gebleken dat eiseres en [A] samen een (door [A] erkend) kind hebben (geboortedatum [geboortedatum] 2023) en [A] in ieder geval vanaf 22 mei 2025 hoofdverblijf had in de woning van eiseres. Eiseres en [A] hebben vanaf die datum een gezamenlijke huishouding. Omdat eiseres dit niet heeft gemeld bij de gemeente, heeft zij niet voldaan aan de op haar berustende inlichtingenverplichting. [1]
5. Bij het besluit van 30 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het besluit van 30 mei 2025 gehandhaafd.
6. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
7. De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Zij hebben zich voorafgaand aan de zitting afgemeld.

Beoordeling door de rechtbank

8. Eisers voert aan dat het college haar bijstandsuitkering ten onrechte heeft ingetrokken. Het dossier biedt onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Het college heeft namelijk onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [A] zijn hoofdverblijf bij eiseres had.
9. Vaststaat dat eiseres en [A] samen een kind hebben. Voor de beantwoording van de vraag of sprake was van gezamenlijke huishouding in de te beoordelen periode, is daarom op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Pw uitsluitend van belang of eiseres en [A] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. In geschil is of [A] zijn hoofdverblijf vanaf 22 mei 2025 op het adres van eiseres had.
10. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. [2] De rechtbank is van oordeel dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat [A] in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het adres van eiseres. De bevindingen van het huisbezoek bieden daarvoor toereikende feitelijke grondslag. Hierbij acht de rechtbank het volgende van belang.
10.1.
Het college heeft op 22 mei 2025 een bezoek gebracht aan de woning van eiseres. Zowel eiseres als [A] was op dat moment in de woning aanwezig. In de woning zijn diverse kledingstukken en militaire spullen aangetroffen. In de slaapkamer zijn onder meer werkbroeken, een vest met platen, een veldfles, kniebeschermers, een rugzak en meerdere militaire emblemen gevonden. Uit het onderzoek van het college naar het Facebookprofiel van [A] blijkt dat een aanzienlijk deel van deze kledingstukken en spullen overeenkomt met kleding en spullen die zichtbaar zijn op foto’s waarop [A] staat afgebeeld. Hieruit kan worden afgeleid dat deze kleding en spullen van [A] zijn. Voorts zijn in de woning medicijnen op naam van [A] aangetroffen met een recente datum. In de woonkamer zijn verder meerdere brieven en poststukken uit 2025 op naam van [A] aangetroffen. Daarbij gaat het niet alleen om reeds geopende post, maar ook om ongeopende enveloppen. Een deel van deze post was bovendien geadresseerd aan [A] op het adres van eiseres. De rechtbank is van oordeel dat verweerder al met de resultaten van het huisbezoek aannemelijk heeft gemaakt dat in ieder geval vanaf 22 mei 2025 sprake was van een gezamenlijke huishouding.
10.2.
Eiseres heeft in beroep geen nadere toelichting of onderbouwing gegeven waaruit volgt dat de bevindingen van het college onjuist zouden zijn. Eiseres is ook niet ter zitting verschenen om alsnog deze toelichting te geven. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat eiseres in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft gemeld dat [A] in de te beoordelen periode hoofdverblijf had op haar adres. Omdat als gevolg hiervan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, was het college gehouden om de bijstand van eiseres over de te beoordelen periode in te trekken. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 54, derde lid, en artikel 17, eerste lid, van de Pw.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 30 november 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:3038), 7 december 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:3110) en 30 juli 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1672).