Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1731

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
UTR 25/2766
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 Wet WIAArt. 76 Wet WIAArt. 77 Wet WIAArt. 8:72 AwbArt. 4 Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering WIA-uitkering wegens niet gemelde netwerkmarketingactiviteiten

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 21 april 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de terugvordering van een WIA-uitkering. Het UWV had de uitkering ingetrokken en teruggevorderd wegens het niet melden van inkomsten uit netwerkmarketingactiviteiten. De eiser voerde aan dat deze activiteiten passief inkomen waren en niet als arbeid moesten worden beschouwd.

De rechtbank oordeelde dat de netwerkmarketingactiviteiten op geld waardeerbare arbeid zijn en dat eiser deze ten onrechte niet aan het UWV heeft gemeld, waarmee hij zijn inlichtingenplicht schond. Voor de periode vanaf 1 mei 2019 is de intrekking en terugvordering terecht. Voor de periode van 1 maart 2017 tot 1 mei 2019 was de motivering van het UWV onvoldoende, waardoor de terugvordering voor die periode werd vernietigd.

De rechtbank stelde het terugvorderingsbedrag vast op €182.600,51 voor de periode vanaf 1 mei 2019 tot en met 30 juni 2023. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan eiser. Het beroep was gegrond voor het deel van de periode vóór mei 2019 en ongegrond voor het deel daarna.

Uitkomst: De WIA-uitkering wordt ingetrokken en teruggevorderd vanaf 1 mei 2019, met vernietiging van het besluit voor de periode daarvoor en een terugvordering van €182.600,51.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2766

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.A.T. Sick),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. M.E. van Mourik).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beslissing tot terugvordering van teveel betaalde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) vanwege schending van de inlichtingenplicht omdat eiser netwerkmarketingactiviteiten verrichtte. Omdat eiser geen administratie van zijn werkzaamheden en inkomsten heeft aangeleverd is het voor het Uwv niet mogelijk om over de periode 1 maart 2017 tot en met 30 juni 2023 het recht, de hoogte en de duur van de WIA-uitkering vast te stellen. Daarom is de WIA-uitkering van eiser per 1 maart 2017 ingetrokken en wordt een bedrag van
€ 270.284,50 teruggevorderd. Eiser is het niet eens met deze beslissing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht is overgegaan tot intrekking en terugvordering van de WIA-uitkering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft beslist tot intrekking en terugvordering van de uitkering vanaf 1 mei 2019. De netwerkmarketingactiviteiten voor [plaats] zijn op geld waardeerbare activiteiten. Eiser heeft dit ten onrechte niet gemeld aan het Uwv en daarmee heeft hij de inlichtingenplicht geschonden. Nu eiser ook geen administratie of andere stukken heeft overgelegd heeft het Uwv terecht de volledige uitkering over deze periode teruggevorderd. Wat betreft de periode voorafgaand aan zijn activiteiten voor [plaats] , oordeelt de rechtbank dat het Uwv de intrekking en terugvordering onvoldoende heeft gemotiveerd. Het beroep van eiser is daarom gegrond, maar alleen voor zover het gaat om intrekking en terugvordering van de uitkering over de periode van 1 maart 2017 tot 1 mei 2019. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Naar aanleiding van een anonieme melding dat eiser inkomsten uit werk zou hebben, heeft het Uwv op 11 november 2022 een onderzoek ingesteld. Op 22 maart 2023 heeft de inspecteur van het Uwv een gesprek gevoerd met eiser. Van dit gesprek is een verslag opgemaakt. Eiser heeft op 30 april 2023 een aanvullende schriftelijke reactie ingestuurd bij dit verslag.
2.1.
De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 31 mei 2023. Op 7 juni 2023 is een memo ‘motivering objectief verwijtbaar’ opgemaakt en op 7 juli 2023 een memo ‘motivering subjectief verwijtbaar’.
2.2.
Op 7 juni 2023 heeft het Uwv de WIA-uitkering van eiser ingetrokken per 1 maart 2017 en beslist dat hij de teveel betaalde uitkering van € 270.284,50 moet terugbetalen. Eiser heeft bezwaar gemaakt.
2.3.
Op 25 augustus 2023 is een betalingsregeling afgesproken van € 200,-- per maand.
2.4.
Met het bestreden besluit van 18 maart 2025 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij het besluit tot intrekking en terugvordering gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, met behulp van een beeldverbinding, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht is overgegaan tot intrekking en terugvordering van de WIA-uitkering van eiser over de periode 1 maart 2017 tot en met 30 juni 2023.
Toetsingskader
4. Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA verstrekt een verzekerde die een recht heeft op een uitkering op grond van deze wet op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk aan het Uwv alle informatie waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of de betaling van de uitkering.
4.1.
In artikel 76, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA is bepaald dat het Uwv een beschikking op grond van deze wet herziet of intrekt, indien als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering op grond van deze wet niet of niet meer kan worden vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld.
4.2.
Op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA wordt een op grond van deze wet onverschuldigd betaalde uitkering door het Uwv teruggevorderd. Een onverschuldigd betaalde uitkering moet in beginsel door het Uwv worden teruggevorderd, tenzij er dringende redenen aanwezig zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Heeft eiser op geld waardeerbare activiteiten verricht?
5. Eiser vindt dat de activiteiten die hij verrichtte niet als arbeid moeten worden beschouwd. Volgens hem is sprake van passief inkomen. Hij voert aan dat inkomsten uit netwerkmarketing volgens fiscale rechtspraak niet zijn aan te merken als inkomsten uit of in verband met arbeid. Daarom hoefde hij dit ook niet door te geven aan het Uwv.
5.1.
Het Uwv stelt dat de activiteiten die eiser verrichtte ten behoeve van de netwerkmarketing te kwalificeren zijn als het verrichten van arbeid.
5.2.
De rechtbank stelt voorop dat een besluit tot intrekking en terugvordering van een uitkering een belastend besluit is waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv feiten moet aandragen die aannemelijk maken dat als gevolg van het door eiser niet nakomen van de inlichtingenverplichting van artikel 27 van Pro de Wet WIA zijn recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. [1] Als het Uwv hieraan heeft voldaan, is het aan eiser om met tegenbewijs te komen die doet twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van het Uwv. Dit tegenbewijs moet bestaan uit objectieve en verifieerbare gegevens.
5.3.
Het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten is een omstandigheid die voor het recht op een uitkering van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee deze activiteiten worden verricht en ongeacht of daaruit daadwerkelijk inkomsten worden genoten. [2] Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken), [3] komt bij de vraag of er op geld waardeerbare arbeid wordt verricht, betekenis toe aan de aard van de activiteiten en de omgeving waarbinnen die activiteiten worden verricht.
Periode vóór mei 2019
5.4.
Het Uwv heeft aan de intrekking en terugvordering van de uitkering over de periode vóór mei 2019 ten grondslag gelegd dat eiser op zijn LinkedIn profiel heeft vermeld dat hij in deze periode functies vervulde. Op zijn LinkedIn profiel staat dat eiser van maart 2017 tot september 2017 werkte als
“ [functie] ”en van juli 2018 tot
mei 2019
“ [functie] ”deed voor [bedrijf] . Over de periode tussen september 2017 en juli 2018 heeft het Uwv in het geheel geen bewijs aangedragen.
5.5.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv niet heeft voldaan aan de op hem rustende last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan voor de periode vóór mei 2019. De enkele verwijzing naar een LinkedIn profiel is daarvoor onvoldoende. Daarmee is sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. De rechtbank oordeelt daarom dat de intrekking en terugvordering over de periode 1 maart 2017 tot en met 30 april 2019 niet in stand kan blijven. Het beroep van eiser is in zoverre gegrond en de rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal in overweging 11 toelichten welke gevolgen dit heeft.
Netwerkmarketing [plaats]
5.6.
Aan de intrekking en terugvordering van de uitkering vanaf mei 2019 heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat eiser netwerkmarketingactiviteiten verrichtte voor [plaats] . Niet in geschil is dat eiser vanaf mei 2019 een zogenoemde
“member”was bij het digitale platform [plaats] en dat hij zich bezig hield met netwerkmarketing. Het geschil gaat erom of eisers netwerkmarketingactiviteiten op geld waardeerbare activiteiten zijn die hij aan het Uwv had moeten melden.
5.7.
Bij het antwoord op die vraag komt betekenis toe aan de aard van de activiteiten en de omgeving waarbinnen die activiteiten worden verricht. De rechtbank overweegt in dat kader als volgt. [plaats] is een zogenoemd multi-levelmarketing (MLM) platform. Op het platform worden digitale producten aangeboden op onder andere het gebied van
“gaming, gambling, travel and business”.Eiser heeft een account bij [plaats] , net als zijn gezinsleden. Als
“member”kan hij digitale producten aankopen en gebruiken. Een belangrijk onderdeel van het verdienmodel van [plaats] en daarmee samenhangend de netwerkmarketingactiviteiten van eiser is het delen van de mogelijkheden van het platform met anderen. Eiser spreekt hierbij zijn netwerk aan. Als mensen met wie eiser dit had gedeeld zich vervolgens inschreven bij het platform, werden zij gekoppeld aan zijn account. Hierdoor ontstaat een zogenoemde
“downline”die is gekoppeld aan eiser. In wezen ontstaat een netwerk in de vorm van een piramide, waarbij eiser aan de top van de door hem zelf opgebouwde piramide staat. Het onder hem opgebouwde netwerk vormt zijn
“downline”.Eiser ontvangt commissies over hetgeen in zijn
“downline”gebeurt. De hoogte van de over de
“downline”genoten commissies is afhankelijk van de rank binnen [plaats] . De rank van eiser is in de relevante periode “
[naam] ”.
5.8.
De rechtbank stelt op basis van de stukken in het dossier en de verklaring van eiser op zitting vast dat eiser activiteiten verrichtte ten behoeve van de netwerkmarketing voor [plaats] . De activiteiten die eiser verrichtte bestonden uit het inschrijven van mensen op zijn account, het bijwonen van trainingen en presentaties in Dubai, en het maken en verspreiden van filmpjes. Daarnaast gaf eiser trainingen en presentaties voor o.a. zijn
“downline”. Hiermee deelde eiser de mogelijkheden van het platform met anderen met het doel om hen enthousiast te maken over het platform [plaats] . De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij dergelijke filmpjes slechts maakte en vervolgens online deelde omdat hij mensen wilde inspireren. Eiser maakt deze filmpjes voor zijn (online) netwerk. Hij heeft verklaard dat hij zijn netwerk heeft aangesproken om mensen te attenderen op het platform en, in geval van interesse, in te schrijven en aan zijn account te koppelen. De rechtbank overweegt dat eiser dit heeft gedaan met het doel om financieel voordeel te behalen. Dat eiser geen controle kan uitoefenen over wat er in zijn
“downline”gebeurt, maakt dat niet anders. Het komt er in feite op neer dat eiser [plaats] , en de digitale producten die op het platform werden aangeboden, promootte en daarmee probeerde mensen toe te voegen aan zijn
“downline”.Hoe meer mensen zich daarbij aansloten, hoe meer inkomsten eiser daarmee genereerde. De rechtbank is van oordeel dat dit op geld waardeerbare activiteiten zijn. Eiser had deze werkzaamheden moeten melden bij het Uwv. [4]
Heeft eiser de inlichtingenplicht geschonden?
6. Eiser stelt dat hij toen hij zijn WIA-uitkering kreeg telefonisch heeft gemeld dat hij ook netwerkmarketingactiviteiten deed. De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond zo, dat eiser hiermee aanvoert dat hij aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan.
6.1.
Het Uwv is in de KCC historie nagegaan of een dergelijk telefoongesprek is geregistreerd. Volgens het Uwv zijn er geen telefoongesprekken van eiser geregistreerd over dit onderwerp.
6.2.
Op grond van artikel 27 van Pro de Wet WIA moet een verzekerde aan het Uwv alle informatie melden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of de betaling van de uitkering. De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de werkzaamheden in verband met netwerkmarketingactiviteiten heeft gemeld aan het Uwv. Eiser heeft dit niet doorgegeven via de digitale omgeving van Mijn Uwv en geen wijzigingsformulier ingestuurd. Ook is niet gebleken dat hij telefonisch melding heeft gemaakt van de netwerkmarketingactiviteiten voor [plaats] . Eiser heeft op de zitting verteld dat hij tijdens een telefonisch gesprek met de verzekeringsarts, ten tijde van de arbeidsongeschiktheidskeuring, heeft verteld dat hij netwerkmarketingactiviteiten verrichtte. Volgens eiser is hierover niets opgenomen in het rapport van de verzekeringsarts of anderszins vastgelegd. Wat hier ook van zij, een dergelijke algemene melding aan de verzekeringsarts in 2013 is onvoldoende om te concluderen dat eiser wat betreft de netwerkmarketingactiviteiten in mei 2019 aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan. Van deze netwerkmarketingactiviteiten heeft eiser op geen enkele wijze melding gedaan bij het Uwv. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Kan eiser zich beroepen op het gelijkheidsbeginsel?
7. Eiser doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft daartoe een geanonimiseerd afschrift van een brief van het Uwv aan een kennis ingebracht. Eiser stelt dat deze kennis ook
“member”is van [plaats] . Volgens eiser mogen daarom ook in zijn geval de inkomsten uit netwerkmarketingactiviteiten niet van invloed zijn op zijn uitkering.
7.1.
Het Uwv stelt dat nu eiser ervoor heeft gekozen een geanonimiseerd afschrift van de brief te overleggen en niet de naam van deze kennis te verstrekken, het Uwv niet kan onderzoeken of een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan slagen.
7.2.
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van een vergelijkbaar geval dat ongelijk behandeld wordt, zonder dat hiervoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. De rechtbank stelt voorop dat bij een beroep op het gelijkheidsbeginsel de bewijslast rust op de partij die zich hierop beroept, in dit geval dus op eiser. Eiser heeft geen nadere gegevens verstrekt, waardoor het Uwv geen nader onderzoek heeft kunnen doen naar het geval van deze niet nader genoemde verzekerde. Op de zitting heeft eiser nog toegelicht dat het gaat om een kennis en dat zij ook
“member”is van [plaats] . De rechtbank is van oordeel dat wat eiser heeft aangevoerd onvoldoende is voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank kan hieruit niet opmaken dat sprake is van een gelijk geval. De enkele stelling van eiser dat deze persoon ook
“member”is van [plaats] is daarvoor onvoldoende. De rechtbank maakt uit de geanonimiseerde brief op dat deze persoon inkomsten uit online [functie] gemeld heeft aan het Uwv en dat zij vervolgens het bericht heeft gekregen dat de door haar doorgegeven inkomsten niet van invloed zijn op de uitkering van deze persoon. Wat daarvan de reden is, blijkt niet uit deze brief. Daarom komt eiser geen beroep op het gelijkheidsbeginsel toe. Bovendien blijkt uit de brief dat deze persoon, in tegenstelling tot eiser, wel melding heeft gemaakt van inkomsten. De beroepsgrond slaagt niet.
Terugwerkende kracht
8. Eiser voert aan dat het hem niet redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat aan hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt. Hij beroept zich op artikel 4 van Pro de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Beleidsregels). Volgens eiser mag niet met terugwerkende kracht worden ingetrokken en teruggevorderd.
8.1.
Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Beleidsregels wordt een uitkering met terugwerkende kracht ingetrokken tot en met de dag waarop de uitkering zou zijn ingetrokken als de verzekerde wel volledig aan zijn inlichtingenplicht zou hebben voldaan. Bij eiser is dat de start van zijn activiteiten voor [plaats] . In artikel 4 is Pro daarop een uitzondering gemaakt voor het geval het niet redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn voor eiser. De rechtbank is van oordeel dat daar geen sprake van is. De rechtbank betrekt daarbij het volgende. In het besluit waarin een WIA-uitkering is toegekend heeft het Uwv eiser erop gewezen dat hij wijzigingen moet doorgeven. Eiser baseert zijn standpunt op de geanonimiseerde brief aan zijn kennis en op fiscale rechtspraak. De rechtbank oordeelt dat eiser uit de geanonimiseerde brief niet redelijkerwijs kon opmaken dat inkomsten uit netwerkmarketingactiviteiten niet van invloed zouden zijn op zijn uitkering. De brief bevat geen nadere toelichting en het gaat om een individuele beoordeling van de invloed van inkomsten op de uitkering van zijn kennis. Uit de brief valt niet op te maken dat inkomsten uit netwerkmarketing nooit gemeld hoeven te worden.
8.2.
De rechtbank wijst erop dat eiser op grond van artikel 27 van Pro de Wet WIA alles moet melden wat van invloed
kanzijn op zijn uitkering, waarna het Uwv beoordeelt of doorgegeven inkomsten daadwerkelijk van invloed zijn op de uitkering. Dit betekent dat eiser uit (krantenartikelen over) fiscale rechtspraak niet kon afleiden dat hij zijn werkzaamheden voor [plaats] niet hoefde te melden. De rechtbank merkt verder op dat de stelligheid van eiser over de juistheid van zijn standpunt, dat sprake is van passief inkomen dat niet belast wordt in box 1, geen steun vindt in de fiscale rechtspraak. Weliswaar zijn er enkele uitspraken waarin (verliezen uit) netwerkmarketingactiviteiten niet in box 1 belast (of aftrekbaar) zijn, maar er zijn ook uitspraken waarin is geoordeeld dat inkomsten uit netwerkmarketingactiviteiten wel degelijk belastbaar zijn in box 1. [5] De rechtbank oordeelt dat het eiser redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat netwerkmarketingactiviteiten van invloed konden zijn op het recht op of de hoogte van zijn WIA-uitkering. Er is daarom geen reden voor het Uwv om niet met terugwerkende kracht in te trekken en terug te vorderen. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de uitkering van eiser terecht op nihil gesteld?
9. Eiser voert aan dat de inkomsten uit [plaats] niet kwalificeren als inkomsten uit arbeid en daarom niet tot wijziging van de uitkering leiden. Hij voert ook aan dat zijn inkomsten uit netwerkmarketing beperkt zijn geweest en geen nihilstelling van de uitkering rechtvaardigen.
9.1.
Het Uwv stelt dat sprake is van een bron van inkomen, nu eiser met zijn activiteiten binnen de netwerkmarketing deelnam aan het economische verkeer en daarmee het behalen van voordeel beoogde terwijl dit voordeel ook redelijkerwijs kon worden verwacht. Volgens het Uwv kunnen de uit de arbeid genoten inkomsten als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking worden genomen. Nu eiser geen administratie heeft verstrekt, heeft het Uwv geen aanknopingspunten om schattenderwijs de uitkering vast te stellen.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat het Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser uit zijn werkzaamheden in verband met netwerkmarketing inkomsten heeft genoten die van invloed zijn op zijn uitkering. Daarbij betrekt de rechtbank het volgende. Dat eiser inkomsten uit [plaats] heeft genoten is niet in geschil. Wel is in geschil hoe die inkomsten moeten worden gekwalificeerd en of deze van invloed zijn op de uitkering. Eiser vindt namelijk dat sprake is van passief inkomen dat wordt belast in box 3 en daarom niet van invloed is op zijn uitkering. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat de stelligheid van eiser over de juistheid van zijn standpunt dat sprake is van passief inkomen geen steun vindt in de fiscale rechtspraak. Het Uwv heeft verwezen naar een uitspraak waarin is geoordeeld dat netwerkmarketingactiviteiten leiden tot een bron van inkomen en dat daarmee gegeneerde inkomsten belastbaar zijn in box 1. [6] De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat in het geval van eiser sprake is van een bron van inkomen. De rechtbank is van oordeel dat bij de netwerkmarketingactiviteiten van eiser sprake is van een objectieve voordeelsverwachting. Uit het dossier volgt dat eiser meerdere jaren lang een aanzienlijk bedrag aan inkomsten heeft gegenereerd met zijn netwerkmarketingactiviteiten. Niet is gebleken dat het genereren van deze inkomsten zozeer afhankelijk is van onvoorspelbare factoren die door eiser niet te beïnvloeden zijn, dat het resultaat als speculatief moet worden beschouwd. Eiser heeft nagelaten om concrete gegevens te verstrekken over zijn inkomsten en heeft niets ingebracht waaruit de conclusie zou kunnen worden getrokken dat geen sprake is van een bron van inkomen. De rechtbank oordeelt dat de netwerkmarketingactiviteiten van eiser leiden tot een bron van inkomen en dat de gegenereerde inkomsten zijn toe te rekenen aan arbeid die eiser heeft verricht.
9.3.
Vervolgens is de vraag hoe deze inkomsten van invloed zijn op de uitkering. De rechtbank stelt vast dat eiser heeft nagelaten om concrete verifieerbare gegevens te verstrekken over zijn inkomsten. Eiser heeft in bezwaar een overzicht verstrekt van zijn inkomsten en kosten. Het Uwv heeft eiser meermaals verzocht om nadere onderbouwing van de gestelde inkomsten te verstrekken, maar eiser heeft dat niet gedaan. Ook op de zitting is uitgebreid aan de orde geweest of eiser de hoogte van de genoten inkomsten nader kan onderbouwen. Volgens eiser werden de commissies vanuit [plaats] betaald in bitcoin. Eiser hield diverse crypto-wallets aan, o.a. bij [cryptonaam] , [cryptonaam] en [cryptonaam] . Volgens eiser is het lastig om een overzicht van de transacties op de crypto-wallets te verstrekken, omdat dit teveel individuele en kleine (micro) transacties zouden zijn. Eiser stelt dat het ook lastig is om bankafschriften te verstrekken van de bijschrijvingen waarbij de cryptovaluta is omgezet in fiatgeld. De rechtbank overweegt dat eiser zelf de keuze heeft gemaakt om, ondanks meerdere verzoeken daartoe, geen enkel bewijsstuk te verstrekken van de door hem genoten inkomsten. De rechtbank kan de niet onderbouwde stelling van eiser niet volgen dat het te lastig zou zijn om die informatie te verzamelen. Uit niets blijkt dat eiser heeft geprobeerd om zijn inkomsten op andere wijze te concretiseren of onderbouwen. Ook aangiftes inkomstenbelasting over de relevante jaren heeft eiser niet overgelegd. De rechtbank overweegt dat als een verzekerde nalaat om concrete verifieerbare gegevens te verstrekken het Uwv bevoegd is om die inkomsten schattenderwijs vast te stellen. Ook daartoe moet door het Uwv voldoende onderzoek worden gedaan. Het Uwv heeft in dit geval geen schatting gemaakt van de inkomsten van eiser omdat het Uwv daarvoor geen aanknopingspunten had. De rechtbank overweegt dat de werkzaamheden niet van dien aard zijn dat het Uwv zelf een inschatting had kunnen maken van de inkomsten. De rechtbank is daarom van oordeel dat het Uwv de inkomsten van eiser ook niet schattenderwijs kon vaststellen en dat het Uwv bij gebrek aan enige onderbouwing van eiser van zijn inkomsten terecht de gehele uitkering terugvordert.
Zijn er dringende redenen om af te zien van terugvordering?
10. Eiser voert niets aan over dringende redenen om af te zien van terugvordering.
10.1.
Het Uwv vindt dat er geen dringende redenen zijn. Het Uwv heeft geen aandeel gehad in het ontstaan van de terugvordering. Het Uwv wijst erop dat een betalingsregeling is getroffen waarbij rekening is gehouden met de financiële omstandigheden van eiser.
10.2.
De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om feiten en omstandigheden aan te voeren die maken dat – volgens hem – sprake is van een dringende reden om af te zien van de terugvordering. [7] Dat heeft eiser niet gedaan. Het Uwv heeft wel beoordeeld of sprake is van dringende redenen om af te zien van terugvordering. Daarbij heeft het Uwv zich rekenschap gegeven van de gevolgen van de intrekking. De rechtbank kan de motivering van het Uwv volgen dat er geen dringende redenen zijn om af te zien van terugvordering.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep van eiser is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd omdat daarin ten onrechte is besloten tot intrekking en terugvordering van de uitkering over de periode 1 maart 2017 tot en met 30 april 2019. De rechtbank bepaalt daarom dat het bestreden besluit wordt vernietigd en het primaire besluit wordt herroepen.
11.1.
De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om, onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Er bestaat, gelet op het dossier en wat is besproken op de zitting, geen verwachting dat het bestreden besluit wat betreft deze periode alsnog van een deugdelijke motivering wordt voorzien. Dit alles afwegende, ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien om definitief een einde aan het geschil te maken. In de toelichting op het primaire besluit van 7 juli 2023 is een overzicht van de bruto bedragen van de uitkering van eiser opgenomen. De bruto uitkering over de periode
1 maart 2017 tot en met 30 april 2019 was in totaal € 81.188,88. Eiser ontving over de bruto uitkering 8% vakantiegeld van in totaal € 6.495,11. Dit is een totaalbedrag van € 87.683,99. Een overzicht van de bedragen is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Het voorgaande betekent dat een bedrag van € 87.683,99 op het terugvorderingsbedrag van
€ 270.284,50 in mindering wordt gebracht. De rechtbank bepaalt het terugvorderingsbedrag over de periode 1 mei 2019 tot en met 30 juni 2023 op bruto € 182.600,51. Deze uitspraak komt in de plaats van het bestreden besluit.
11.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het Uwv het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,--. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,--.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • herroept het primaire besluit;
  • bepaalt dat de WIA-uitkering wordt ingetrokken vanaf 1 mei 2019 en bepaalt het terugvorderingsbedrag over de periode van 1 mei 2019 tot en met 30 juni 2023 op bruto € 182.600,51.
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats van het bestreden besluit treedt;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,--;
  • draagt het Uwv op het griffierecht van € 53,-- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, voorzitter, en mr. J.W. Veenendaal en mr. J. Wolbrink, leden, in aanwezigheid van mr. M.C.G. van Dijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: berekening bruto uitkering en vakantiegeld 1 maart 2017 t/m 30 april 2019
Periode
Bruto bedrag uitkering
01-03-2017 t/m 31-03-2017
€ 3.065,45
01-04-2017 t/m 30-04-2017
€ 3.065,45
01-05-2017 t/m 31-05-2017
€ 3.065,45
01-06-2017 t/m 30-06-2017
€ 3.065,45
01-07-2017 t/m 31-07-2017
€ 3.092,63
01-08-2017 t/m 31-08-2017
€ 3.092,63
01-09-2017 t/m 30-09-2017
€ 3.092,63
01-10-2017 t/m 31-10-2017
€ 3.092,63
01-11-2017 t/m 30-11-2017
€ 3.092,63
01-12-2017 t/m 31-12-2017
€ 3.092,63
01-01-2018 t/m 31-01-2018
€ 3.117,43
01-02-2018 t/m 28-02-2018
€ 3.117,43
01-03-2018 t/m 31-03-2018
€ 3.117,43
01-04-2018 t/m 30-04-2018
€ 3.117,43
01-05-2018 t/m 31-05-2018
€ 3.117,43
01-06-2018 t/m 30-06-2018
€ 3.117,43
01-07-2018 t/m 31-07-2018
€ 3.149,62
01-08-2018 t/m 31-08-2018
€ 3.149,62
01-09-2018 t/m 30-09-2018
€ 3.149,62
01-10-2018 t/m 31-10-2018
€ 3.149,62
01-11-2018 t/m 30-11-2018
€ 3.149,62
01-12-2018 t/m 31-12-2018
€ 3.149,62
01-01-2019 t/m 31-01-2019
€ 3.192,25
01-02-2019 t/m 28-02-2019
€ 3.192,25
01-03-2019 t/m 31-03-2019
€ 3.192,25
01-04-2019 t/m 30-04-2019
€ 3.192,25
Bruto uitkering 01-03-2017 t/m 30-04-2019
€ 81.188,88
Vakantiegeld (8% bruto-uitkering)
€ 6.495,11
Totaal 01-03-2017 t/m 30-04-2019
€ 87.683,99

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1100.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 9 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2791.
4.Zie de uitspraak van de CRvB van 6 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2015:3368, r.o. 4.5.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 20 maart 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1188.
6.Zie de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 20 maart 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1188.
7.Zie de uitspraak van de CRvB van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726, r.o. 4.5.1.