Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1078

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/3905
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 AVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid rechtbank wegens onvoldoende bewijs van AVG-verzoek en geen misbruik van recht

Eiser stelde dat hij op 29 november 2024 een AVG-verzoek per e-mail had ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, waarop het college niet tijdig zou hebben beslist. Hij stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank vroeg eiser om bewijs van verzending, waarop hij schermprints en digitale kopieën van e-mails overlegde. Het college betwistte ontvangst en stelde dat de stukken mogelijk gemanipuleerd waren.

De rechtbank overwoog dat het op de verzender ligt om de verzending van een e-mail aannemelijk te maken. Hoewel eiser bewijsstukken overlegde, ontbraken ontvangstbevestigingen van het oorspronkelijke AVG-verzoek en de eerste ingebrekestelling. De ontvangstbevestigingen van latere ingebrekestellingen konden niet direct aan het verzoek worden gekoppeld. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het verzoek was verzonden.

Het college stelde ook dat eiser misbruik van recht maakte, maar de rechtbank vond de aanwijzingen daarvoor onvoldoende concreet. Eiser had toegelicht dat het verzoek verband hield met een sollicitatieprocedure. De rechtbank oordeelde dat de bevoegdheid om beroep in te stellen niet mag worden misbruikt, maar dat in dit geval geen sprake was van kwade trouw.

Omdat niet aannemelijk was dat een aanvraag was ingediend, kon het college niet in gebreke zijn en was de rechtbank onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. De rechtbank verklaarde zich daarom onbevoegd en bepaalde dat het griffierecht aan eiser wordt terugbetaald, zonder vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een AVG-verzoek heeft ingediend.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3905

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: D. Kroon),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt

(gemachtigden: L. van der Schuit en J. van Dodewaard).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn AVG-verzoek van 29 november 2024.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een aanvraag is ingediend, waardoor het college niet in gebreke kan zijn met het niet tijdig beslissen daarop. De rechtbank is daarom onbevoegd om kennis te nemen van het beroep van eiser wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser stelt dat hij op 29 november 2024 per e-mailbericht een verzoek heeft gedaan tot inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens op grond van artikel 15 van Pro de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
2.1.
Op 25 juni 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op dat verzoek.
2.2.
Op 22 september 2025 heeft de rechtbank eiser verzocht om aannemelijk te maken dat hij het AVG-verzoek en de daarop volgende ingebrekestellingen heeft verstuurd.
2.3.
Op 30 september 2025 heeft eiser in reactie daarop een e-mail gestuurd met diverse schermprints van e-mailberichten en ontvangstbevestigingen.
2.4.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.5.
Op 21 januari 2026 heeft de rechtbank eiser verzocht om digitale versies van de betreffende e-mails aan de rechtbank te mailen. Eiser heeft dat op 27 januari 2026 gedaan.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

3. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is er sprake van misbruik van recht?
4. Het college verzet zich in het verweerschrift tegen de ontvankelijkheid van het beroep omdat eiser volgens haar misbruik van recht maakt. Volgens het college blijkt dit uit de handelswijze van eiser en zijn gemachtigde in deze zaak en andere vergelijkbare zaken. Het AVG-verzoek is volgens het college ingediend zonder enig redelijk doel. Gesteld noch gebleken is dat eiser enige relatie heeft met de gemeente De Bilt. Het lijkt er dus op dat eiser het verzoek alleen heeft ingediend om een gegevensverwerking met het college op gang te brengen, zodat hij een platform heeft voor nieuwe verzoeken, ingebrekestellingen en dwangsomverzoeken. Verder wijst het college er in dit kader op dat eiser slechts per e-mail communiceert en dat hij op hetzelfde adres woont als zijn gemachtigde. Na het indienen van het verzoek wordt verder op geen enkele wijze tussentijds contact opgenomen met de gemeente en wordt afgewacht tot het eindigen van de beslistermijn. Van andere gemeenten heeft het college vernomen dat de gemachtigde van eiser ook op die manier verzoeken indient elders in het land. Het college komt gelet op deze omstandigheden tot de conclusie dat het verzoek geen enkel redelijk doel kan hebben, en dat sprake is van kwade trouw.
4.1.
De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet kan worden ingeroepen als deze bevoegdheid wordt misbruikt. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. [1] De rechtbank overweegt dat het aannemen van misbruik van recht feitelijk betekent dat een rechtsgang wordt ontzegd aan eiser en dat daar terughoudend mee om moet worden gedaan.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de door het college opgeworpen aanwijzingen onvoldoende concreet zijn voor de conclusie dat het AVG-verzoek is ingediend zonder enig redelijk doel of dat sprake is van kwade trouw. Eiser heeft op de zitting toegelicht dat het AVG-verzoek verband houdt met een sollicitatieprocedure die hij daar in het verleden heeft doorlopen. De stelling van eiser dat het bij misbruik van recht puur gaat om zijn handelingen en niet die van zijn gemachtigde, volgt de rechtbank niet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van
19 november 2014 namelijk overwogen dat handelingen van een gemachtigde kunnen worden betrokken bij die beoordeling. [2] De omstandigheid dat de gemachtigde van eiser – kennelijk – vele AVG-verzoeken heeft ingediend bij diverse gemeenten namens eiser en voor zichzelf, dat hij dit (hoofdzakelijk) via de e-mail doet en het feit dat eiser en de gemachtigde op hetzelfde adres wonen, kunnen op zich betrokken worden bij de beoordeling of er sprake is van misbruik van recht maar vormen op zichzelf, zonder nadere concretisering, onvoldoende concrete aanwijzingen daarvoor. [3]
4.3.
Omdat er onvoldoende aanleiding bestaat voor het oordeel dat eiser misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om beroep in te stellen, zal de rechtbank het beroep inhoudelijk behandelen.
Is er een aanvraag gedaan door eiser?
5. Het college stelt zich op het standpunt dat zij de aanvraag en de daarop volgende ingebrekestellingen nooit heeft ontvangen. Eiser stelt dat hij e-mails heeft verstuurd, en overlegt daar ook schermprints en digitale kopieën van, maar die zijn volgens het college gemanipuleerd. Eiser ontkent dit, en stelt dat de header-informatie van een e-mail niet kan worden vervalst. Ook heeft hij van diverse e-mailberichten ontvangstbevestigingen overgelegd. Het college wijst op diverse discrepanties in deze ontvangstbevestigingen. Verder heeft het college een uitgebreide zoekslag gedaan in de betreffende e-mailbox en het zaak-systeem en daarin zijn geen berichten van eiser teruggevonden. Omdat er volgens het college geen aanvraag gedaan is, kan er ook niet te laat op zijn beslist.
5.1.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat de aan verzending per e-mail verbonden risico’s voor rekening van de verzender zijn. Dit brengt mee dat, als door de geadresseerde wordt gesteld dat de verzonden e-mail niet is ontvangen, het op de weg van de verzender ligt de verzending aannemelijk te maken. Dat kan onder andere door het overleggen van ontvangstbevestigingen of leesbevestigingen. [4] Indien de verzender de verzending van de e-mail aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde het vermoeden dat de e-mail de geadresseerde heeft bereikt te ontzenuwen.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het AVG-verzoek per e-mail heeft verzonden aan het college. Ter onderbouwing van de verzending heeft eiser weliswaar (print-screens van) e-mailberichten overgelegd die daarop lijken te wijzen, maar de ontvangstbevestiging van het AVG-verzoek zelf en de eerste ingebrekestelling zijn niet overgelegd. Eiser stelt dat hij die niet meer terug kan vinden. Ook heeft eiser niet om een leesbevestiging van het college gevraagd.
5.3.
Dat eiser wel ontvangstbevestigingen heeft overgelegd van de opvolgende ingebrekestellingen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de verzending van het AVG-verzoek alsnog aannemelijk is gemaakt. In de overgelegde bewijsstukken van eiser kan namelijk geen directe link worden gelegd tussen de ontvangstbevestigingen en de volgens eiser bijbehorende ingebrekestellingen of het daaraan voorafgaande AVG-verzoek. Daarnaast merkt het college terecht op dat het vreemd is dat één van de ontvangstbevestigingen een tijdstempel heeft die afwijkt van de tijdstempel van het gestelde originele bericht. De stelling van het college dat er sprake lijkt te zijn van manipulatie van de e-mails omdat er verschillende lettertypes in staan, de lay-out per versie van het bericht afwijkt en er vreemde dingen staan in de header-informatie van de e-mails, is niet met stukken of deskundigenberichten onderbouwd. De rechtbank gaat daar daarom op voorhand niet van uit.

Conclusie en gevolgen

6. Omdat niet aannemelijk is dat een aanvraag is ingediend, kan het bestuursorgaan niet in gebreke zijn niet tijdig te beslissen en is de bestuursrechter niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep wegens niet tijdig beslissen. [5]
6.1.
Hieruit volgt dat de rechtbank onbevoegd is om van het beroep van eiser kennis te nemen.
6.2.
Eiser krijgt daarom het griffierecht van de rechtbank terug. Hij krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
BeslissingDe rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd;
- bepaalt dat de griffier van de rechtbank aan eiser het griffierecht terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.L. Kosterman-Meijer, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2025:542.
3.Vergelijk de uitspraken van de rechtbank Rotterdam ECLI:NL:RBROT:2025:9044 en ECLI:NL:RBROT:2025:10973.