Appellant maakte op 15 december 2017 een melding bij het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer over de behoefte aan vervanging van een rolstoellift in zijn rolstoelbus op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college beschouwde dit bericht als een melding en niet als een aanvraag, en heeft geprobeerd contact op te nemen om een afspraak te maken voor een beoordeling.
Appellant maakte bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op de vermeende aanvraag en stelde het college in gebreke. Het college handhaafde haar standpunt dat er geen aanvraag was gedaan, waardoor geen sprake was van niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep, omdat de melding geen aanvraag was en daarom geen beroep mogelijk was volgens de Awb.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de melding als aanvraag moest worden aangemerkt, mede omdat een medewerker van het college in een e-mail sprak over een aanvraag. De Raad onderschreef echter de overwegingen van de rechtbank en oordeelde dat de melding geen aanvraag was. Bovendien was inmiddels een beroep ingesteld tegen een besluit van 6 december 2018, zodat uit oogpunt van rechtsbescherming geen reden was het besluit mee te nemen in dit hoger beroep.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.