Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats 1] , eiser
Inleiding
27 september 2021 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Overwegingen
1 januari 2019. Eiser bepleit een lagere waarde
.De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 1.068.000,-.
.De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix, het taxatierapport en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat de referentiewoningen ook drie vrijstaande woningen zijn die in [plaats 1] liggen en één vrijstaande woning in het nabijgelegen Werkhoven en die niet te ver van de waardepeildatum zijn. Met de taxatiematrix maakt de heffingsambtenaar aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning ten aanzien van onder meer de staat van onderhoud en het voorzieningenniveau door voor de woning een m²-prijs onder de gemiddelde m²-prijs van de referentiewoningen te hanteren. Met de taxatiematrix heeft de heffingsambtenaar de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
Conclusie en gevolgen
€ 500,- per half jaar. Vanwege de overschrijding met 3 jaar en 10 maanden heeft eiser dus recht op € 4.000,-.
.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van € 637,68 schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van € 3.362,32 schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 97,08 aan proceskosten aan eiser;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 776,67 aan proceskosten aan eiser;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht tot een bedrag van € 24,50 aan eiser moet vergoeden;
- bepaalt dat de Staat het griffierecht tot een bedrag van € 24,50 aan eiser moet vergoeden.
P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
22 december 2025.