ECLI:NL:RBMNE:2025:6671

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/2140
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WW-uitkering aan zorgverlener op basis van gezagsverhouding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Eiseres had een WW-uitkering aangevraagd na het overlijden van haar moeder, voor wie zij als zorgverlener werkte. Het UWV heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet als werknemer werd aangemerkt door het ontbreken van een gezagsverhouding. Eiseres heeft bezwaar gemaakt, maar het UWV verklaarde dit ongegrond. De rechtbank heeft het beroep op zitting behandeld en beoordeeld of het UWV terecht de WW-uitkering heeft geweigerd. De rechtbank concludeert dat er geen gezagsverhouding was tussen eiseres en haar moeder, omdat er geen aanwijzingen waren dat de moeder instructies kon geven of toezicht kon houden op de zorgverlening. De rechtbank oordeelt dat de zorgovereenkomst niet duidt op een privaatrechtelijke dienstbetrekking en dat de familieband tussen eiseres en haar moeder de rechtsverhouding in overwegende mate heeft bepaald. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat eiseres geen recht heeft op een WW-uitkering en het griffierecht niet terugkrijgt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2140

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. J.A. Voorn).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Eiseres heeft een WW-uitkering aangevraagd nadat haar moeder, voor wie zij als zorgverlener werkte, op [datum overlijden] 2024 is overleden.
2. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 25 september 2024 afgewezen. Volgens het UWV is eiseres niet verzekerd voor de WW, omdat zij niet is aan te merken als een werknemer vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding tussen haar en haar moeder.
3. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt en heeft telefonisch haar bezwaren toegelicht.
4. Met het besluit van 10 maart 2025 (
het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. Ter voorbereiding van de behandeling van het beroep op de zitting heeft de rechtbank partijen op 21 augustus 2025 een zittingsagenda toegestuurd. Hierin zijn vragen opgenomen die de rechtbank tijdens de behandeling van de zaak aan eiseres wil stellen.
6. De rechtbank heeft het beroep op 20 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het Uwv.

Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht een WW-uitkering aan eiseres heeft geweigerd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Waar gaat het geschil over?
8. Eiseres heeft vanaf 19 mei 2021 zorg verleend aan haar moeder op basis van een zogenoemde ‘zorgovereenkomst met partner of familielid’. Haar moeder was de houder van een persoonsgebonden budget (pgb). In de zorgovereenkomst is vastgelegd dat eiseres een werkweek heeft van 21 uur tegen betaling van een vergoeding van € 1.922,26 bruto per maand inclusief vakantiegeld voor de werkzaamheden: begeleiding individueel, huishoudelijke hulp en persoonlijke verzorging.
9. In geschil is of eiseres moet worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW. [1] Daarvoor is vereist dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen haar en haar moeder, de budgethouder. Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. [2]
10. Niet in geschil is dat eiseres arbeid heeft verricht en hiervoor loon heeft ontvangen. Het gaat om de vraag of tussen eiseres en haar moeder sprake was van een gezagsverhouding.
11. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat daarvan geen sprake was. In de zorgovereenkomst ontbreken afspraken over vakantie, werktijden, ziekte (en doorbetaling) en andere voor een arbeidsovereenkomst belangrijke elementen. Eiseres heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens verduidelijkt op welke manier aan haar instructies en aanwijzingen werden gegeven en toezicht en controle werd uitgeoefend op de kwaliteit en voortgang van het werk en of en hoe zij ter verantwoording werd geroepen over de wijze waarop zij haar werkzaamheden uitvoerde.
12. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er wel sprake was van een gezagsverhouding. Zij wijst op de zorgovereenkomst, ondertekend door haar neef als vertegenwoordiger van haar moeder. Zij werkte voor haar moeder samen met één van haar zussen en een nicht, alle drie op basis van een zorgovereenkomst. Zij verleenden de zorg en zij moesten zowel het Zorgkantoor als de vertegenwoordigers van de familie - haar oudste zus en haar neef - op de hoogte houden over belangrijke beslissingen. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat haar neef de contacten onderhield met het Zorgkantoor over de zorgcontracten en de omvang van het aantal te verlenen zorguren. Zo nam haar neef contact op met het Zorgkantoor om langs te komen, omdat de gezondheid van haar moeder verslechterde en de hulp intensiever werd. De oudste zus regelde de vakantieplanning en de vervanging als één van hen ziek was of andere afspraken had. Met z’n vieren hadden ze ook een groepsapp waarin werkgerelateerde afspraken werden gemaakt. Andere zussen waren ook wel geregeld bij haar moeder, maar dan op bezoek als familielid en niet aan het werk als zorgverlener. Eiseres zag het ook echt als werk en moest zich ook verantwoorden. Zo kon zij ook aangesproken worden door de oudste zus als er iets niet goed was gedaan en dat door de anderen was gemeld. Verder hielden het Zorgkantoor en de huisarts toezicht op de kwaliteit van de verleende zorg. Zo kregen zij advies over het inschakelen van hulp bij wondzorg. Eiseres heeft op de zitting ook verteld dat haar moeder aan het eind van haar leven steeds verder achteruit ging en meer hulp nodig had. Een andere zus hielp toen ook mee en er werden ook nachtdiensten door andere familieleden gedaan.
Wat vindt de rechtbank?
13. De rechtbank stelt voorop dat het bestaan van een familierelatie, zoals bij eiseres en haar moeder, niet per definitie betekent dat geen sprake kan zijn van een gezagsverhouding. Ook bij een dergelijke arbeidsverhouding geldt als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding of aangenomen kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van degene met wie de overeenkomst is aangegaan, dat diegene bevoegd is om opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk. De familierelatie is wel een element dat daarbij betrokken dient te worden. [3]
14. De bewijslast van het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking rust op eiseres, als aanvrager van de WW-uitkering. Zij moet aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is voldaan. [4]
15. De rechtbank komt tot het oordeel dat er geen sprake was van een gezagsverhouding, omdat niet is gebleken van een (wezenlijke) aanwijzings- of instructiebevoegdheid door of namens de moeder van eiseres. De rechtbank zal dat hierna toelichten.
16.1
Uit de zorgovereenkomst blijkt niet dat partijen een vorm van ondergeschiktheid beoogden. In de overeenkomst is opgenomen dat eiseres 21 uur per week werkt tegen een vaste vergoeding per maand. Niets is daarin vastgelegd over werkdagen en werktijden. Ook staan daarin geen afspraken over vakantiedagen, de procedure rond ziekmelding en vervanging bij ziekte en verlof. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat de zorguren over de week onderling werden verdeeld over haar, een zus van haar en een nicht en dat de oudste zus alles coördineerde. Dat is een aanwijzing dat geen sprake was van een gezagsverhouding.
16.2
De moeder van eiseres was vanwege de aard van haar klachten ook niet in staat om instructies te geven over de manier waarop de zorg moest worden uitgevoerd. Het Zorgkantoor en de neef gaven niet dergelijke instructies. De neef heeft de aanvraag voor het pgb ingediend bij het Zorgkantoor en heeft de zorgcontracten geregeld. De neef zag niet toe of de zorg goed werd verleend en gaf ook geen instructies. Het Zorgkantoor moest beoordelen of en welke zorg werd verleend en of er uitbreiding van het aantal zorguren nodig was, nadat de neef daar om had verzocht. De oudste zus had de coördinatie over de zorguren en aanwezigheid, maar was niet bevoegd om instructies te geven namens de moeder van eiseres. Verder kwam de huisarts geregeld langs ter controle en om advies te geven indien nodig, maar niet is gebleken dat deze de taak had om namens de moeder van eiseres bindende aanwijzingen te geven over de manier waarop de zorgtaken verricht moesten worden.
16.3
Verder is uit de toelichting van eiseres gebleken dat zij - voordat zij uit het pgb werd betaald - ook al geregeld zorgtaken op zich nam net als andere familieleden. Zij heeft vervolgens op basis van de zorgovereenkomst de zorg aan haar moeder verleend, maar gaandeweg was meer zorg nodig en was eiseres daardoor ook meer dan die 21 uur in de week aanwezig. Ook de andere familieleden sprongen bij in de dagelijkse zorg, omdat op een gegeven moment de moeder 24 uur per dag zorg nodig had. Dat is zeer begrijpelijk, maar die omstandigheden zijn niet vergelijkbaar met de omstandigheden waaronder een professionele zorgverlener zijn of haar werkzaamheden zou hebben verricht.
17. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres niet kan worden vergeleken met een normale werknemer. De feitelijke omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, wijzen niet op het bestaan van werkgeversgezag. Zowel uit de bedoeling van partijen, de inhoud van de zorgovereenkomst als uit de wijze waarop eiseres en haar moeder daaraan uitvoering hebben gegeven, blijkt dat de rechtsverhouding tussen eiseres en haar moeder in overwegende mate werd beheerst door hun familieverhouding. Niet is gebleken van (wezenlijke) aanwijzing- of instructiebevoegdheid door of namens de moeder van eiseres of de neef als wettelijke vertegenwoordiger. Ook is niet inzichtelijk of en hoe eiseres ter verantwoording werd geroepen met betrekking tot de wijze waarop zij haar werkzaamheden uitvoerde. Daarom was er geen sprake van een gezagsverhouding en kan niet worden geoordeeld dat eiseres “in dienst van” haar moeder was. De zorg die eiseres aan haar moeder heeft verleend, is niet aan te merken als een privaatrechtelijke dienstbetrekking en daarmee was eiseres geen werknemer in de zin van de WW.
18. De rechtbank begrijpt dat het bestreden besluit nadelige financiële gevolgen voor eiseres en haar gezin had, omdat zoals eiseres op de zitting heeft toegelicht na het overlijden van haar moeder zij plots ook haar inkomen uit de zorgovereenkomst verloor. De rechtbank kan zich goed voorstellen dat het voor eiseres oneerlijk voelt dat zij na intensieve jaren van zorgverlening, geen recht heeft op een uitkering al is het maar een overbrugging voor een korte periode zoals eiseres op de zitting ook opperde. De rechtbank ziet echter in wat eiseres aanvoert geen aanleiding om voor haar een uitzondering te maken op de wettelijke bepalingen. Het is de rechtbank bekend dat er in de maatschappij discussie is over de vraag of het wenselijk is dat familieleden die zorg verlenen aan een pgb-houder niet in alle gevallen in aanmerking komen voor een WW-uitkering, maar dat is een keuze geweest van de wetgever. Het is aan de wetgever om dit desgewenst te veranderen.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat eiseres geen werknemer is geweest en daarom per 6 augustus 2024 geen recht heeft op een WW-uitkering. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.S.D. de Weerd, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.In de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785, en van 15 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:479.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 14 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3634 en CRvB 24 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:252.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:156.